Interview
Joke Goovaerts
18 december 2025
Immunologe en kankeronderzoekster Damya Laoui staat aan het hoofd van een team van achttien onderzoekers. Samen voeren zij fundamenteel onderzoek naar een innovatief kankervaccin dat herval en uitzaaiingen moet voorkomen. Haar werk geniet erkenning in binnen- en buitenland. In het laboratorium van Laoui draait het niet alleen om cellen en cijfers, maar ook om ethiek, diversiteit en menselijke verbondenheid.
Je bent wetenschapper aan de Vrije Universiteit Brussel en verbonden aan het Vlaams Instituut voor Biotechnologie. Waar komt je fascinatie voor wetenschap vandaan?
Ik ben al van jongs af aan gefascineerd door de natuur. Oorspronkelijk droomde ik ervan om reporter voor de BBC te worden en in Afrika documentaires over wilde dieren te maken. Daarom dacht ik eraan om zoölogie te studeren, maar die opleiding werd alleen in Gent en Antwerpen aangeboden. Op kot gaan was financieel niet haalbaar. Een vriend in het zesde secundair zei toen: “Waarom geen bio-ingenieur? Daarmee kan je heel veel kanten uit.” En zo heb ik die keuze gemaakt.
De VUB lag vlak naast mijn secundaire school, het GO! Atheneum Etterbeek. De helft van mijn klas ging erheen, dus ik volgde. Maar ik kon me ook echt in de waarden van de VUB vinden: vrijheid, openheid, kritisch denken.
Heb je ooit spijt gehad dat je geen zoölogie hebt gestudeerd?
Helemaal niet. Als bio-ingenieur krijg je een brede basis in de wetenschappen en kan je snel specialiseren. Ik koos eerst voor cel- en gentechnologie, later voor medische biotechnologie. Tijdens mijn masterthesis begon ik rond kanker te werken en toen wist ik: dit is het, dit wil ik doen.
Hoe stond je familie tegenover je keuze voor wetenschap?
Mijn familie was redelijk open-minded. Ik speelde ook altviool en heb lang getwijfeld of ik muzikante zou worden. Maar mijn ouders vonden dat geen goed idee: “Daar verdien je geen geld mee.” Financiële onafhankelijkheid was belangrijk.
Mijn mama werkte als kleuterleidster en zei: “Waarom ga je ook niet in het onderwijs? Dan ben je thuis als de kinderen thuis zijn.” Maar ik dacht toen nog niet aan kinderen en ik zei: “Nee, ik ga voor bio-ingenieur.”
Ze waren uiteindelijk tevreden over mijn keuze. Ze zagen dat ik er plezier in had, ook al wisten ze niet precies wat het inhield.
Wat heeft je persoonlijk richting kankeronderzoek gedreven?
Dat was eerder toevallig. Ik raakte erin geïnteresseerd door immunologie of hoe het immuunsysteem ziekten bestrijdt. Bij het kiezen van mijn masteronderwerp kwam ik iets over kanker tegen en dat sprak me aan.

Mijn papa had toen longkanker, maar dat beïnvloedde mijn keuze niet bewust. Ik kende ook anderen die aan kanker overleden zijn, zoals mijn meter en de moeder van een van mijn beste vriendinnen. Misschien heeft dat onbewust toch meegespeeld, maar op dat moment ging het vooral om de passie voor het onderzoek, voor het begrijpen van complexe processen.
Kan je je onderzoek kort uitleggen?
Ik werk voornamelijk rond kanker en het immuunsysteem. Wanneer iemand een tumor heeft, zitten daar niet alleen kankercellen in, maar ook immuuncellen die de kankercellen proberen te vernietigen. Helaas zijn sommige immuuncellen een beetje corrupt: ze helpen de tumor in plaats van hem te bestrijden. Ik focus op een specifieke cel, met name de dendritische cel. Dat is mijn favoriete cel. We proberen te begrijpen waarom sommige dendritische cellen de tumor helpen en andere hem juist bestrijden.
We hebben ontdekt dat er verschillende typen zijn en we hebben manieren ontwikkeld om de goede typen te herkennen en te gebruiken als therapie. Bij muizen kunnen we die cellen inzetten als een soort vaccin tegen kanker, zodat ze niet hervallen of uitzaaiingen krijgen.
Dus je zoekt een vaccin tegen herval en uitzaaiingen?
Precies, dat is het idee dat we naar de kliniek willen brengen. Maar we zijn er nog niet. Ik zeg dat er altijd duidelijk bij, want ik krijg vaak vragen van patiënten.
Het concept is als volgt. Bij een patiënt met bijvoorbeeld longkanker wordt de tumor chirurgisch verwijderd. Uit die tumor halen we de goede dendritische cellen, die de mutaties van de kankercellen hebben herkend. Die dendritische cellen spuiten we terug in de patiënt. Die cellen activeren dan het immuunsysteem, vooral de T-cellen, die de kleine uitzaaiingen aanpakken. Ze wekken ook immuungeheugen op zoals bij een vaccin, zodat de patiënt niet hervalt.
Preventie van kanker zelf is voorlopig nog niet aan de orde, maar negentig procent van de sterfgevallen komt door uitzaaiingen of herval. Als we dat kunnen voorkomen, helpen we een grote groep patiënten.
Worden er al tests bij patiënten gedaan?
Nog niet. De resultaten bij muizen zijn veelbelovend, maar om de stap naar patiënten te zetten, zijn er twee grote struikelblokken. Ten eerste, de ethische goedkeuringen. Dat is een berg papierwerk. Gelukkig zijn er mensen in mijn team die dat graag doen. Ten tweede, de financiering. Een klinische studie starten is extreem duur. Bedrijven zijn niet snel geïnteresseerd. Het duurt vaak vijf à tien jaar voor je kan aantonen dat een patiënt niet hervalt en bedrijven willen sneller resultaten zien.
Gelukkig krijgen we steun van organisaties zoals Kom op tegen Kanker. Daarnaast is er het VUB Yamina Krossa Fonds, opgericht door een ex-borstkankerpatiënte. Zij heeft eerst een fonds opgericht om borstreconstructies terugbetaald te krijgen en met het resterende geld koos ze ervoor om ons onderzoek te steunen. Ze begon met 30.000 euro en besloot het bedrag van de inzamelactie naar 400.000 te verhogen. Nu wil ze naar 1.200.000 gaan om de klinische studie te starten. Dankzij haar inzet – wafelenbak, loopacties, noem maar op – komt dat doel steeds dichterbij. Ook stand-upcomedian Alex Agnew steunt het fonds en ons onderzoek. Per verkocht ticket voor zijn zaalshow doneert hij één euro, wat al meer dan 100.000 euro opbracht.
Heb je een deadline?
Ik heb die deadlines losgelaten. Ze zorgen vooral voor frustratie. Mijn echte droom is dat ik, voor ik met pensioen ga, kan zeggen: “Deze therapieën bestaan dankzij ons onderzoek.” Dat zou het mooiste zijn.
Je wil dus echt mensen helpen?
Ja, dat hoop ik. Natuurlijk ben ik als wetenschapper gefocust op het onderzoek zelf, op het begrijpen van de biologie. Maar het einddoel is altijd om mensen te helpen.
Je klinkt ook gepassioneerd door het proces zelf.
Absoluut, ik word enorm enthousiast van resultaten. Bijvoorbeeld wanneer een van mijn studenten met een grafiek en een grote glimlach binnenkomt. Dan weet ik: dit wordt iets moois.
Wat ik fantastisch vind, is dat als iemand in het labo iets nieuws ontdekt, wij op dat moment de enigen ter wereld zijn die dat weten. Het idee dat je iets ontdekt hebt wat nog niemand anders weet, is magisch. En dan komt het moment om dat via publicaties met de wereld te delen. Dat is de essentie van wetenschap: kennis creëren én verspreiden.
Ook wetenschapscommunicatie speelt een grote rol?
Ik doe veel aan wetenschapscommunicatie, om verschillende redenen en voor uiteenlopende doelgroepen. Onder meer voor oudere mensen, van wie sommigen ook patiënt zijn. Ze horen termen als immuuntherapie, maar weten vaak niet wat dat precies betekent. Dan is het onze taak om dat helder uit te leggen: wat is het, wat kan het doen, wat zijn de neveneffecten en waarom is het zo duur? Daarnaast richt ik me ook op jongeren, om hen te inspireren voor een wetenschappelijke richting. Vooral jongeren uit gezinnen waar de ouders niet gestudeerd hebben of met een migratieachtergrond zoals ikzelf. Als er in je familie niemand is die iets met wetenschap doet, dan is die stap gewoon veel moeilijker.
Je komt zelf uit een gezin met migratieachtergrond. Ben je daardoor een rolmodel voor die jongeren?
Dat is moeilijk te zeggen. Mensen zonder migratieachtergrond moeten ook hard werken. Maar ik denk dat het soms net iets zwaarder is. Ik heb bijvoorbeeld mijn studies zelf moeten betalen. Bij mijn studenten zie ik hoe gezinssituaties en economische omstandigheden het studeren makkelijker of moeilijker maken. Voor mij was het lastig, ik kon niet altijd naar de les en moest samenvattingen van medestudenten lenen. Gelukkig had ik goede vrienden die me hielpen.
Toen ik goede resultaten begon te behalen en veel papers schreef, werd ik vaak uitgenodigd omdat ze ‘nog iemand nodig hadden met een migratieachtergrond of een vrouw’. Een vriendin zei toen: “Je moet altijd gaan. Ga op het podium als token, maar stap eraf als een grote wetenschapper.”
En dat zeg ik nu ook tegen mijn vrouwelijke studenten: laat je zien. Vrouwen zijn nog steeds ondervertegenwoordigd. Het is belangrijk dat meisjes beseffen dat een wetenschapper niet per definitie een man is.
Hoe ga je om met de diversiteit op de universiteit? Kom je zelf uit een gelovig gezin?
Ik kom uit een nogal ingewikkeld gezin wat religie betreft. Mijn moeder is katholiek opgevoed, maar niet erg gelovig. Mijn vader was heel gelovig; zijn moeder was joods en zijn vader moslim. Mijn broer las veel over boeddhisme en mijn partner is niet-gelovig. Als kind werd ik met verschillende religies geconfronteerd. Ik moest Bijbelverhalen lezen, maar ook delen uit de Koran en de Thora. Sommige passages vond ik mooi, andere minder, maar het voelde voor mij heel normaal om met die diversiteit in aanraking te komen. Wat me opviel, is dat die religies veel gemeenschappelijke waarden delen. Ik heb altijd goed kunnen samenleven met zowel gelovige als niet-gelovige mensen.
En waar plaats je jezelf?
Ik denk niet dat ik echt in een god geloof. Ik heb veel filosofische vragen. Waarom zijn we hier? Is het leven ontstaan door puur chemisch toeval of is er een diepere reden? Waarom kunnen wij nadenken en filosoferen? Omdat er zo veel vragen blijven, kan ik me voorstellen dat er bepaalde krachten zouden kunnen zijn.
Je werkt in de medische wereld. Welke plaats heeft de mens daarin? Wordt er voldoende naar geluisterd?
Dat is een belangrijke vraag. In de medische wereld draait het uiteindelijk om mensen. Maar soms wordt er te veel op technologie, cijfers en efficiëntie gefocust en te weinig op de mens achter de patiënt. We moeten blijven luisteren, uitleg geven en empathie tonen. Wetenschap mag nooit losstaan van de mensen voor wie ze bedoeld is.
Onlangs was ik in Japan en daar was het verschil nog groter. De artsen die ik er sprak, behandelen hun patiënt vooral als een lichaam dat moet worden gered. Er wordt nauwelijks gekeken naar wat die persoon denkt, wat de impact op zijn omgeving is of wat de neveneffecten van een behandeling zijn. Dat zijn totaal andere manieren van denken. Maar ik geloof dat de mens overal ter wereld nog te weinig centraal staat in de therapie. Terwijl we weten dat mentale gezondheid een enorme invloed heeft op hoe iemand herstelt.
Je hebt ook een muzikale achtergrond. Helpt dat in je onderzoek?
Ik denk dat veel onderzoekers een creatieve kant hebben en bij mij is dat muziek. Creativiteit is volgens mij zelfs noodzakelijk om een goede onderzoeker te zijn. Je wordt voortdurend geconfronteerd met de vraag: hoe komt dit? En daar bestaat meestal geen antwoord op dat je gewoon in een boek kan opzoeken. Je moet vertrekken vanuit een idee, vanuit nieuwsgierigheid. Daarom is het ook zo waardevol om in een divers team te werken. Hoe meer perspectieven, hoe groter de kans dat je samen tot een goed antwoord komt.
Tot slot, wat is jouw levensmotto?
Vive la vie. Elke dag komt zoals hij komt, maar je moet er zelf voor zorgen dat je ervan geniet. Toen ik jonger was, hadden we thuis veel familiale problemen. Een vriend zei toen tegen mij: “Souris à la vie et la vie te sourira.” Lach naar het leven en het leven zal je toelachen. Dat ben ik nooit vergeten. Ik probeer dat echt toe te passen. Geluk is niet vanzelfsprekend, maar als je er moeite voor doet, krijg je er zo veel voor terug.
Meer informatie over steun aan het Yamina Krossa Fonds vind je hier bij de VUB Foundation.
Foto’s © Jeroen Vanneste