Pleidooi voor de vrede
Joke Goovaerts en Dimitri De Smet
26 november 2025
‘Pleidooi voor de vrede’. Dat is de heerlijk heldere titel van het nieuwe boek van Simon Gronowski (94), één van de laatste Belgische overlevers van de Holocaust. Schijnbaar onvermoeibaar doorkruist hij het land om zijn geschiedenis en die van zijn vermoorde familieleden levend te houden. Hij verloor zijn geloof in een god, maar niet in de mensheid. “Ik ben atheïst geworden, maar ik bekritiseer gelovigen niet.”
In zijn rustige huis in Elsene, gevuld met boeken en herinneringen, ontvangt Simon Gronowski ons in zijn bureau. Tussen documenten, foto’s en partituren, vertelt hij hoe hij als elfjarige uit het 20ste konvooi sprong, het enige kind van die leeftijd dat een dodentransport wist te ontvluchten. Zijn moeder en zus kwamen nooit terug. Zestig jaar lang zweeg hij over zijn verleden, tot hij voelde dat zijn getuigenis nodig was voor de toekomst. Vandaag spreekt hij onvermoeibaar tot jongeren, gelooft hij in de menselijke goedheid en pleit hij voor vrede, zelfs wanneer de wereld opnieuw verdeeld is. “Ik breng geen boodschap van verdriet,” zegt hij, “maar van hoop.”
Je schreef het boek Pleidooi voor de vrede. Wat was jouw voornaamste doel om dit boek te schrijven?
Na de oorlog was ik dertien en volledig alleen op de wereld. Ik heb zestig jaar gezwegen over mijn geschiedenis. Het was geen geheim, want de mensen wisten twee dingen: dat ik uit het 20ste transport was gesprongen en dat mijn familie door de nazi’s was vermoord. Maar na al die jaren vroegen mensen mij om mijn verhaal op te schrijven. Dat was pijnlijk, maar ik voelde dat ik het moest doen. Zo verscheen in 2002 mijn eerste boek Het kind van het 20ste konvooi, geschreven tegen de negationisten. Ik moest heel precies zijn, met bewijzen, want wie de misdaden van gisteren ontkent, wil er morgen misschien nieuwe begaan. Dat boek is technisch en moeilijk voor jongeren. Daarom heb ik nu een kleiner boek Pleidooi voor de vrede geschreven, speciaal voor hen.
“Jongeren moeten weten wat er is gebeurd, zodat ze de vrijheid en democratie van vandaag kunnen verdedigen.”
Veel Joodse overlevenden hebben hun verhaal opgeschreven. Wat maakt jouw verhaal uniek?
Er bestaan talloze getuigenissen, telkens verhalen van pijn en angst. Maar in mijn geval zijn er twee uitzonderlijke feiten. Ten eerste meen ik het enige kind van elf jaar te zijn dat ooit uit een dodenkonvooi is gesprongen. Ik ken geen ander geval.
Het tweede feit is: mijn nazibewaker uit de Dossinkazerne in Mechelen is later naar mij gekomen om vergiffenis te vragen. Hij toonde oprecht berouw. Hij wilde zijn geweten verlichten. Ik heb hem spontaan vergeven. Dat heeft hem goed gedaan en mij ook.
Jouw moeder hielp je ontsnappen?
Ja. Ik ben gesprongen omdat ik gehoorzaamde aan wat mijn moeder wilde. J’ai sauté du train parce que j’ai obéi à ma mère.
Was dat een ultiem gebaar van liefde van jouw moeder?
Zij is niet gesprongen. Als ze dat had gedaan, dan waren de nazi’s zeker beginnen schieten en leefde ik nu niet meer. Maar als ik had geweten dat ze niet samen met mij zou springen, dan had ik het zelf nooit gedaan. Ik hield zielsveel van mijn moeder.
Hoe ben je het drama van jouw jeugd te boven gekomen?
Het begin van een leven is essentieel. Een baby die niet in liefde wordt geboren, draagt dat levenslang mee. Ik had het geluk om als baby bemind te worden en elf jaar op te groeien in een gezin vol waardigheid, cultuur en liefde. Dat heeft mij overeind gehouden.
Muziek speelde daarbij ook een rol. Mijn zus, een begaafde klassieke pianiste die van jazz hield, werd door de nazi’s vermoord. Drie dagen later zou ze negentien worden. Na de oorlog, toen ik helemaal alleen was en veel heb geweend, dacht ik voortdurend aan haar. Door haar ben ik zelf een bescheiden jazzpianist geworden.
Je weende veel maar je hebt ook veel gebeden. En dan plots geloofde je niet meer in een god?
Mijn vader was diepgelovig. Hij twijfelde nooit aan God, wel aan de mensen. Hij gaf mij een religieuze opvoeding en ik vertrouwde volledig op God. Na mijn ontsnapping werd ik opgevangen door katholieke families, echte helden. Ik bad elke dag mijn Joodse gebeden. En ik bad tot de katholieke God. Met mijn gebeden tot twee goden, was ik zeker dat mijn moeder en zus zouden terugkeren.
Maar ze kwamen niet terug?
Eind 1946 besefte ik dat ze niet terug zouden komen. Toen zei ik tegen mezelf: als God bestond, had hij dit niet toegelaten. J’ai perdu la foi. Ik ben atheïst geworden, maar ik bekritiseer gelovigen niet.
Je gelooft in de mens?
Ja. Ik geloof in de mensheid en in de menselijke goedheid. Natuurlijk zijn er misdadigers, maar de meeste mensen zijn goed.
Je gelooft zelfs na de Holocaust nog in de goedheid van de mens?
Ja. Ik geloof in de jeugd. Ik ga naar scholen om jongeren te informeren over de misdaden van het verleden. Ze moeten weten wat er is gebeurd, zodat ze de vrijheid en democratie van vandaag kunnen verdedigen. Dat is een dagelijkse opdracht.
“Ik ben atheïst geworden, maar ik bekritiseer gelovigen niet.”
In jouw boek schrijf je over het conflict Israël–Palestina: ‘Ik ben voor de vrede, ik ben voor de slachtoffers.’
Als atheïst vraag ik me soms af: ben ik nog Jood? Ik weet het niet. Het conflict in het Midden-Oosten raakt mij, omdat men zegt dat ik van Joodse oorsprong ben. Maar ik ben volledig vrij en onafhankelijk. Ik ben neutraal. Er zijn twee volkeren, Palestijnen en Israëli’s, die al meer dan honderd jaar in conflict leven. Ik kies voor de slachtoffers. Het leven van een Palestijns kind is niet meer waard dan dat van een Israëlisch kind, en omgekeerd. Ik ben voor vrede, en op een dag komt die er. Er bestaat geen eeuwige oorlog. Of er één staat, twee staten of drie komen, maakt me niet uit. De enige voorwaarde is dat iedereen dezelfde rechten heeft. Dat heet democratie. Ik pleit voor democratie én voor een onmiddellijk staakt-het-vuren. En daarvoor hebben we verlichte, welwillende mensen nodig.
Als je één boodschap aan de jeugd mocht geven, welke zou dat zijn?
Dat ik geen boodschap van verdriet breng, maar van hoop en geluk. Het leven is mooi, al krijgt iedereen tegenslagen te verwerken. Hoe zwaar een beproeving ook is: je moet blijven leven, want het leven is uniek. Ondanks de tragedies van gisteren en vandaag behoud ik mijn vertrouwen in de toekomst en in de menselijke goedheid.
Je ontving onlangs van de koning en koningin de titel Grootofficier in de Kroonorde. Wat betekent dat voor?
Voor mij is die decoratie eenvoudigweg een geluk, un bonheur. En ik ben er fier op.
En dan, alsof woorden niet genoeg zijn, zet Simon Gronowski zich aan de piano en trakteert ons op What a Wonderful World van Louis Armstrong…