Euthanasie

“Ik wil rust maar tegelijk ook anderen helpen die wel willen leven”

Geert Dewaele en Dimitri De Smet

8 januari 2026

Jessy van der Sman (44) uit Hasselt kiest, na jaren van ondraaglijk psychisch lijden, voor euthanasie. Op vrijdag 16 januari neemt ze afscheid van het leven. Ze wil haar organen en weefsel doneren en hoopt dat haar verhaal de weg effent voor mensen die vandaag vastlopen in regels, wachttijden en onwetendheid. “Wachten, wachten en wachten. Het maakt de zwaarte alleen maar groter.”

We ontmoeten Jessy in het huisvandeMens van Hasselt, waar ze samen met haar tweelingzus Mieke het afscheid voorbereidt. Het voelt onwezenlijk dat ze eind volgende week er niet meer zal zijn. Want voor ons zit een schijnbaar stralende jonge vrouw. Ze vertelt over de taekwondolessen die ze met passie geeft aan kinderen, over haar goede band met haar zus en broer. Af en toe maakt ze een grap. Maar achter die façade verbergt Jessy veel pijn. Zo verloor ze in 2017 haar zoontje Lucas, die nog maar vier was. De opeenstapeling van traumatische ervaringen, het wegvallen van haar draagkracht, de jarenlange zoektocht naar hulp leiden uiteindelijk tot uitzichtloosheid. In september 2024 beslist Jessy om een euthanasieaanvraag in te dienen.

“Voor mij was het geen plotse wending maar een traject van jaren waarin het steeds zwaarder werd. Het laatste kantelpunt was een aanranding op de trein. De dader werd niet gearresteerd, er kwam geen gevolg, maar voor mij bleef de angst hangen. Ik ben hem daarna nog in Hasselt tegengekomen. Zoiets kruipt onder je huid: zelfs naar de apotheker gaan lukte niet meer, een vriendin moest meelopen uit angst dat ik hem zou tegenkomen. Je wereld wordt klein, je lichaam staat constant op alarm.”

“Net toen mijn eigen draagkracht afnam, zag ik van dichtbij wat rust kan betekenen. Mijn tante ging in palliatieve sedatie door keelkanker. Ze had ondraaglijk veel pijn. Toen ze zei ‘Laat mij slapen’, voelde dat voor mij, hoe vreemd dat ook klinkt, als een vorm van rust waar ik geen toegang toe had. Ik zie er immers niet ziek uit. Ik doe mijn best om buiten vrolijk te zijn; dat is een pantser tegen het isolement. Want wie altijd eerlijk zegt dat het slecht gaat, wordt vaak gemeden. Maar achter dat masker schuilt een voortdurende strijd.”

Je beschrijft ook hoe je cognitieve mogelijkheden wegvielen. Wat deed dat met je?

Jessy van der Sman: “Een arts zei letterlijk: ‘Euthanasie is geen zelfmoord. Als je dat wil, moet je het zelf doen.’ Dat maakt van een hulpvraag een klap.”

Dat was een van de moeilijkste verliezen: ik kon niet meer lezen zoals vroeger. Jarenlang waren boeken mijn schuilplaats. Ik las moeiteloos zevenhonderd pagina’s in twee of drie dagen. Op een bepaald moment lukte het eenvoudigweg niet meer om teksten te begrijpen, te verwerken, betekenis aan papier te koppelen. Je verliest dan niet alleen een hobby, je verliest een manier om de wereld te ordenen en jezelf vast te houden. Ik ben blijven zoeken: therapieën, lezingen, technieken. Maar niets werkte.

Op dat moment heb ik tegen mijn psychologe gezegd: ‘Het gaat niet meer.’ We hebben zoveel geprobeerd, en toch ging het bergaf. Zij heeft me doorverwezen, en toen kwam ik terecht in een wereld van criteria, formulieren, afspraken en vooral wachten.

Waar hapert voor jou de procedure om euthanasie aan te vragen?

De informatie die je krijgt, is vaak versnipperd. Je moet je wens noteren bij een arts, je moet aantonen dat behandelingen zijn geprobeerd, je moet langs meerdere specialisten. En ik begrijp dat: euthanasie bij psychisch lijden vraagt grondigheid en zorgvuldigheid. Maar de realiteit is dat agenda’s overvol zijn en deskundigen overbevraagd. Sommige LEIF‑artsen nemen geen nieuwe dossiers meer aan. Tussen een eerste gesprek en een volgende afspraak zitten soms vier tot zes maanden. Voor iemand die al op het tandvlees zit, is dat een eeuwigheid.

Intussen wordt je omgeving meegezogen in die onzekerheid. Zij leven al in rouw, terwijl jij er nog bent. Iedereen loopt op eieren: familie durft nauwelijks te vragen hoe het gaat; artsen vrezen fouten of klachten; jij wacht, wacht en wacht. Het maakt de zwaarte groter.

Hoe reageerden de artsen op je vraag?

Er waren heel uiteenlopende reacties. Een eerste arts zei letterlijk: ‘Euthanasie is geen zelfmoord. Als je dat wil, moet je het zelf doen.’ Dat maakt van een hulpvraag een klap. Tegelijk zag ik ook veel inzet: artsen die ondanks hun overvolle agenda nog een lunchpauze opofferen om me te zien, of die me duidelijk maken wat ze nodig hebben om zorgvuldig te kunnen beslissen.

Wat ik vooral merkte, is onduidelijkheid in het traject. Iedereen wil juist handelen, maar niet iedereen gebruikt dezelfde stappen of termen. Psychologie is geen exacte wetenschap: wat is ‘uitbehandeld’? Waar ligt de lijn? Ik heb drie levenseinde‑artsen en een extra psychiater geconsulteerd. Dossiers werden gelezen, huisartsen en psychologen gecontacteerd, verslagen geschreven. Het ging druppelsgewijs vooruit. Telefonische bevestigingen kwamen sneller dan papieren brieven. Dat is niet fout, maar voor patiënten die houvast nodig hebben, is papier belangrijker dan een telefoontje.

Nu je euthanasieaanvraag is goedgekeurd, kies je ook heel bewust voor orgaan- en weefseldonatie.

Al jaren ben ik geregistreerd als donor. Toen ik in Gent hoorde dat orgaandonatie na euthanasie mogelijk is, gaf dat mijn keuze een bijkomende betekenis. Ik wil rust, maar ik wil tegelijk iemand anders helpen die wil leven en een orgaan nodig heeft. Als mijn organen of weefsels iemand kunnen genezen of de levenskwaliteit sterk verbeteren, dan is dat voor mij waardevol.

Praktisch betekent het dat het afscheid in het operatiekwartier gebeurt, in een heel kleine kring. Daarna volgen medische stappen die erop gericht zijn om alles zorgvuldig te laten verlopen voor de donatie van onder meer mijn hart, nieren, longen en ook weefsels. Voor mij gaat het niet om ‘voortleven’ in een symbolische zin; het gaat om heel concreet helpen. Dat maakt deze laatste stap draaglijker.

Jessy samen met haar tweelingzus Mieke: “Zonder mijn zus en broer had ik dit niet gekund.”

Welke rol spelen je familie en vrienden in dit traject?

Ze zijn cruciaal, zonder hen had ik dit niet gekund. Mijn cognitieve problemen maken plannen en structureren moeilijk. Mijn broer en zus hebben afspraken mee ingepland, brieven opgevolgd, dossiers geordend. Vrienden hebben me gewezen op diensten die ik niet kende. Zonder hen was ik waarschijnlijk al afgehaakt. Tegelijk is het zwaar voor hen: maanden van onzekerheid, angst om verkeerde woorden te zeggen, een rouwproces dat al begint terwijl ik nog leef. Daarom organiseer ik één namiddag waar mensen afscheid kunnen nemen. Thuis vind ik te intens: ik absorbeer alle emoties. Op één plaats, één moment, in een warme setting, is het voor iedereen het zachtst.

Je spreekt ook over weerstand in je omgeving. Hoe ga je daarmee om?

Er was iemand die het er heel moeilijk mee had en zelfs een mail naar artsen stuurde met de vraag of ‘alles wel legaal’ was. Als je dossier minder stevig is, haken artsen soms af uit voorzichtigheid. Ik begrijp die angst. Maar het toont ook hoe fragiel dit proces is. Niet iedereen kan vechten, bellen, mailen, argumenteren. Er zijn mensen die die kracht, het netwerk of de tijd niet hebben. Voor hen is het traject bijna onbegonnen werk.

Daarom hoop ik dat mijn verhaal helpt om het systeem duidelijker en menselijker te maken: kortere doorlooptijden, vaste stappen, een aanspreekpunt dat het dossier actief mee coördineert, en gespecialiseerd tijdsbudget voor artsen die zich met euthanasievraagstukken bij psychisch lijden bezighouden.

Hoe wil je dat je afscheid eruitziet?

Warm, menselijk en losser dan de traditionele, trage plechtigheden die ik hier soms heb gezien. Bij het afscheid van mijn zoontje in Nederland stonden er kinderen rond de kist, met een verteller en gewone taal. Dat was eerlijk en zacht. Zo wil ik het: geen ‘zielige’ muziek om het zwaar te maken, maar ruimte om echt te spreken, te lachen en te huilen. Het huisvandeMens van Hasselt helpt me daarbij met kaarten, foto’s, de ceremonie en rouwbegeleiding. Ik kende hen nauwelijks, maar hier heb ik ervaren wat luisteren zonder oordeel betekent.

Over ‘vrijzinnig’ had ik mijn eigen vooroordelen, ik dacht aan geitenwollensokken (lacht). Maar voor mij betekent het vooral: niet vastzitten aan religieuze voorschriften, ruimte voor zelfbeschikking en menselijkheid. Dat voel ik hier.

Wat wil je nalaten als boodschap?

Help elkaar. We zijn als samenleving te veel ‘ikke’ geworden. Til de koffer van een ouder koppel uit de trein. Als je een dakloze ziet, koop die dan iets om te eten, te drinken, vitaminen. Kleine, concrete daden maken een verschil. Ik hoop dat mensen die met mijn verhaal in aanraking komen, een stukje van die energie meenemen. En dat het systeem rond psychisch lijden en euthanasie duidelijker en menselijker wordt.

Dit interview bevat thema’s rond ondraaglijk psychisch lijden, euthanasie en suïcide. Voel je je zelf onveilig of maak je je zorgen om iemand? Praat erover en zoek meteen hulp via Zelfmoordlijn 1813 (gratis en anoniem, 24/7 via telefoon, chat en mail).
Heb je nog vragen over euthanasie, zingeving en rouwbegeleiding, dan ben je altijd welkom bij een huisvandeMens bij jou in de buurt. Je kan ook meteen een afspraak maken via deze link.