niet-confessionele zedenleer

“Toen ik met mijn leerlingen naar de plek ging waar Fabian stierf, werd het heel stil”

Geert Dewaele en Dimitri De Smet

27 Augustus 2025

Na dertig jaar journalistiek stapte Filip Rogiers het klaslokaal binnen. In een Brusselse school geeft hij Nederlands, journalistiek en niet‑confessionele zedenleer. Geen ivoren toren, wel de samenleving in het klein: divers, weerbarstig, soms rauw en precies daardoor hoopgevend. Hoe helpt hij jongeren navigeren tussen oorlog en algoritmes, tussen genderdebatten en TikTok‑waarheden? En wat betekent vrijzinnig humanisme wanneer het geloof in de mens dagelijks getest wordt?

 

Je staat nu enkele jaren voor de klas. Hoe voelt het om weer aan een nieuw schooljaar te beginnen?
Ik heb er echt zin in. Elk schooljaar is een rollercoaster: op 1 september stap je in, op 30 juni stap je uit en denk je “wat wás dit?”. Maar ik leer elke dag bij van collega’s, en vooral van leerlingen. Dat houdt me scherp en nederig. De lerarenopleiding heeft me fundament gegeven, maar de echte leerschool is het klaslokaal.

Je geeft niet‑confessionele zedenleer. Wat maakt dat vak essentieel?
Hier mag alles op tafel gelegd worden: identiteit, gender, geloof, ethiek, twijfel. We stellen de vragen die iedereen in zich draagt: wie ben ik, waar wil ik naartoe? Je kunt verbinden met literatuur, kunst, geschiedenis, media. En je laat de klas botsen op een veilige manier. Dat is zalig.

Je laat leerlingen ook een ‘generatiegesprek’ voeren met ouders en grootouders. Wat levert dat op?
Jongeren groeien op in een tijd waarin de toekomst zich niet rooskleurig aandient, denk maar aan de klimaatgevolgen, oorlog en polarisatie. Ik vraag hen: praat eens met je ouders of grootouders een halfuurtje over hoe zij de toekomst zagen toen ze 16 waren. Sommige gesprekken duren meer dan drie uur. Er komt verbondenheid, relativering en veerkracht uit. Het leert hun en mij dat hoop en volhouden niet nieuw zijn. Het is zoals in het essay van Tommy Wieringa: “Optimisme zonder hoop”. Niet naïef, wel vastberaden. Deze generatie is nuchter en realistisch, maar daarom niet cynisch. Integendeel: vaak constructiever dan we denken. Ze zijn wereldwijzer en ze leren mij voortdurend bij.

Ik betrapte mezelf ooit op een lesfragment over Facebook uit 2012 (lacht), een platform waar de jongeren van vandaag al lang niet meer op zitten. Zij leven in andere ecosystemen. Ze tonen me hoe nieuws bij hen op TikTok of Snapchat binnenkomt, wat werkt en waarom. Dat is geen gadgetpraat. Het gaat over hoe realiteit gefilterd en verteerd wordt. Daarover voeren we bewuste gesprekken: wat zie je, wat níét, hoe voelt het en wat is waar en fake?

Vorig schooljaar zijn we met een klas naar de plek gestapt waar Fabian overleed. We hebben daar stilgestaan. Je voelt: school is geen apart universum.

Op jouw school werken de verschillende levensbeschouwingen samen. Hoe gaat dat in de praktijk?
We zijn eerder een vrienden- dan een vakgroep. We delen dezelfde existentiële vragen, elk vanuit onze traditie. We organiseren samen activiteiten, van het schrijven van Amnesty‑brieven tot een bezoek aan het Red Star Line Museum. Dat is actief pluralisme: eenheid in verscheidenheid, met gezamenlijke oefenmomenten én ruimte voor diepgang binnen elk vak.

Moet er dan één overkoepelend vak levensbeschouwing komen, zoals in het Vlaamse regeerakkoord staat?
Ik ben daartegen. Het klinkt efficiënt, maar je verliest diepgang en identiteit. Wél pleit ik voor meer gezamenlijke projecten en voor burgerzin doorheen het hele curriculum, niet als aparte “hoek”.

Het debat gaat vandaag vaak over het dalende niveau van ons onderwijs in internationale onderzoeken. Hoe kijk jij daarnaar?
Lees‑, reken- en schrijfvaardigheid zijn cruciaal. Maar we meten vandaag vooral wat makkelijk meetbaar is. Ondertussen zijn er vaardigheden bijgekomen: samenwerken, kritisch denken, omgaan met complexiteit etc. Die passen minder vlot in tabellen. En: kennis en welzijn moeten gelijk opgaan. Wie niet goed in zijn vel zit, kan moeilijk kennis vergaren. Het is geen “eerst dit, dan dat”; het is tegelijk.

Je geeft les in Brussel. Sijpelt het stedelijke leven de klas binnen?
Altijd. Soms heftig. Vorig schooljaar zijn we met een klas naar de plek gestapt waar Fabian overleed, de jongen van elf die achtervolgd werd door de politie. We hebben daar stilgestaan. Het deed iets met hen en met mij. Je voelt: school is geen apart universum. We zijn deel van deze stad.

“Meneer, kunnen we praten over Andrew Tate?” Prima. Je laat spreken, je stelt grenzen aan ontmenselijkende taal en je confronteert hen met echte verhalen.

Hoe pak je polariserende thema’s aan?
Vaak op vraag van leerlingen. “Meneer, kunnen we praten over Andrew Tate?” Prima. Dan gaat het over mannelijkheid, macht, kwetsbaarheid, over charismatische figuren op het internet en hun aantrekkingskracht. Of over gender en seksuele oriëntatie. Je laat spreken, je stelt grenzen aan ontmenselijkende taal en je confronteert hen met echte verhalen. Niet om iemand te ‘winnen’, wel om samen te onderzoeken. Dan merk je dat standpunten soms verschuiven of tenminste minder radicaal worden.

Als ze later aan jouw lessen terugdenken, wat hoop je dat blijft?
Niet per se zinnen die ik heb gezegd, wel ervaringen die we deelden. Het besef dat de wereld complex is, maar niet ondoordringbaar. Dat ze handelingsbekwaam zijn. En dat dialoog, echt luisteren, spreken, herdenken, een vaardigheid is die houvast geeft.

Wat betekent vrijzinnig humanisme voor jou, in en buiten de klas?
Geloof in de mens inclusief het knoeien. Poëzie, in de ruime zin: het goede zoeken in elkaar. Niet blind, wel vastberaden. Dat geloof wordt dagelijks getest. Maar eerlijk: mijn leerlingen herstellen het elke dag een beetje.