Zelfbeschikkingsrecht is een fundamenteel recht. In onze huidige maatschappij nemen we het als vanzelfsprekend aan dat we de regie over ons leven tot het einde toe stevig in eigen handen houden en dat we vrije keuzes over ons lichaam kunnen en mogen maken. Maar wat wanneer we noodgedwongen in een woonzorgcentrum worden opgenomen en afhankelijk van anderen worden? Als moreel consulente in een woonzorgcentrum word ik dagelijks met die vragen geconfronteerd.
Sam Heiremans
Een eigen leefgemeenschap
Autonomie is essentieel voor ons gevoel van eigenwaarde en welzijn. Het stelt ons in staat ons leven richting te geven en is sterk verbonden met onze identiteit, waardigheid en persoonlijke vrijheid. Autonomie is dan ook een noodzakelijke factor voor onze levenskwaliteit, zeker als we met fysieke en/of cognitieve beperkingen te maken krijgen.
Hoewel het belang van zelfbeschikking in de context van een woonzorgcentrum een breed draagvlak heeft, zijn er in de praktijk toch wel wat obstakels. Een woonzorgcentrum is een leefgemeenschap met eigen afspraken, schema’s en regels die soms botsen met de persoonlijke voorkeuren van de bewoners. Die regels zijn vaak noodzakelijk vanwege het gemeenschappelijk belang – bijvoorbeeld regels rond veiligheid en gezondheid. Maar hoe meer regels, hoe meer de autonomie van de bewoners in het gedrang komt.
Tijdsdruk speelt ook een grote rol in het woonzorgcentrum. De werkdruk is hoog, het zorgpersoneel doet zijn best, maar het blijft voor hen een moeilijke en niet-aflatende evenwichtsoefening tussen oog hebben voor de noden en behoeften van de bewoners enerzijds en tijdsdruk anderzijds. Bij gebrek aan tijd is het nu eenmaal gemakkelijker om routinematig te werken dan om op de voorkeuren van de bewoners af te stemmen.
Als moreel consulent in een woonzorgcentrum bevind je je dan ook in een unieke situatie. Je leert de nieuwe bewoner doorgaans kort na de opname kennen, begeleidingen lopen vaak over lange periodes en het vertrouwen is meestal groot. Bovendien bevind je je in een bevoorrechte positie. Je bent geen zorgpersoneel, dus je moet niets ‘doen’ bij de bewoner. En niet onbelangrijk, je hebt tijd voor een rustig gesprek. Naast rouw, verdriet, eenzaamheid en verlies is zelfbeschikkingsrecht een vaak terugkerend onderwerp in de gesprekken.

In een stroomversnelling
Voor de meeste ouderen is het moment van de opname in een woonzorgcentrum overweldigend. Sommigen staan al enige tijd op een wachtlijst en hebben zo enigszins aan het idee kunnen wennen. Bij anderen gebeurt de verhuis eerder abrupt – door ziekte, een val of het verlies van een partner. Maar voor iedereen geldt, eens het bericht komt dat er een plaats in het woonzorgcentrum vrij is, dat er plots op heel korte tijd heel veel beslissingen moeten worden genomen.
Alles belandt in een stroomversnelling. Als nieuwe bewoner laat je je vertrouwde thuisomgeving achter en waar je het vroeger gewoon was je leven zelf in te richten, kom je nu in een gemeenschap met afspraken, schema’s en regeltjes terecht. Een heleboel zaken die je vroeger als vanzelfsprekend aannam, zijn dat plots niet meer.
Voor Yvonne ging het allemaal veel te snel. Eergisteren kreeg ze het bericht dat er een woning in het woonzorgcentrum is vrijgekomen, morgen moet ze al verhuizen. Eigenlijk wil ze dat niet. Ze wil liever in haar eigen huis blijven, maar dat kan niet meer. Ze is al verschillende keren gevallen. Ze voelt zich verdoofd. Haar zoon en schoondochter pakken haar spullen in. Het kan haar niet schelen wat er meegaat en wat niet. Onverschillig trekt ze haar schouders op wanneer ze haar vragen wat ze wil meenemen. Later heeft ze er spijt van dat ze alles zomaar over zich heen heeft laten gaan. Ze mist de stomste dingen: koffielepeltjes, haar mooie witte trui, een zoutvaatje, kerstversiering …
Naast het voorziene meubilair in een woonzorgcentrum bestaat ook de mogelijkheid om persoonlijke spullen mee te brengen. Maar wat neem je mee en wat laat je achter? Hoe stop je je voorbije leven in enkele koffers? Verschillende bewoners hebben het er moeilijk mee dat alles bij een opname zo snel moet gaan en krijgen achteraf spijt van wat ze achtergelaten hebben. Mogen en kunnen meebeslissen bij de overstap naar een woonzorgcentrum zorgt ervoor dat je meer greep op de situatie krijgt en sneller een nieuw evenwicht in je veranderde levensomstandigheden vindt.
Georgette zit in haar zetel te rusten. De kleur van haar bloes past perfect bij de kleur van de muur achter haar. Ik vertel haar dat ik er gelukkig van word om haar daar zo te zien zitten. Ze antwoordt dat ze zich ook gelukkig voelt. Haar woning is smaakvol ingericht, er staan veel foto’s en spulletjes, het is er gezellig. Samen met haar dochters had ze alles uitgezocht. Ze geniet echt van haar nieuwe thuis.

Naar een nieuw evenwicht
Bij een verhuis naar een woonzorgcentrum moet je niet alleen inbinden wat ruimte betreft, maar ook je privacy wordt beperkt. Het is niet altijd meer vanzelfsprekend om zelf te bepalen wie er je kamer binnenkomt. Controle door het personeel is uiteraard nodig en daar is veel begrip voor. Maar er wordt weleens vergeten dat die ene kamer het hele huis van de bewoner is, dat de kamerdeur eigenlijk een voordeur is en dat naar binnen gaan niet altijd zomaar kan. De meeste bewoners zijn daar gemakkelijk in – velen laten hun deur de hele dag openstaan – anderen hebben soms liever wat meer privacy.
Anna wilde de dagelijkse drukte graag af en toe buitensluiten om een boek te lezen of om te mediteren, maar er moest altijd wel iets gebracht of gehaald worden. Ze had het gevoel dat ze voortdurend gestoord werd en kon niet tot rust komen. Ze werd er knettergek van. Sinds ze het bordje ‘niet storen’ aan haar deurkruk hangt, gaat het stukken beter met haar.
Het noodgedwongen leven in een gemeenschap is voor sommigen een uitdaging, anderen zijn dan weer net blij dat ze de eenzaamheid achter zich hebben kunnen laten en opnieuw sociaal contact hebben. In een woonzorgcentrum wordt heel veel georganiseerd. Er is een heel team dat voor een uiteenlopende waaier aan activiteiten zorgt en het staat je vrij om ergens al dan niet aan mee te doen. Zo zijn er bewoners die er de voorkeur aan geven om nergens aan deel te nemen, anderen hebben het dan weer net heel druk met al hun activiteiten. Soms ontstaan er hechte vriendschappen.
Ze noemen zich ‘de drie musketiers’. Elvira, Juliëtte en Emma doen alles samen, willen overal bij zijn en lachen heel wat af. Ze hebben een drukke agenda. Sinds ze elkaar hebben leren kennen, staan ze beter en sterker in het leven, zeggen ze zelf. Ze vertellen over vroeger en praten met elkaar wanneer er iets niet goed gaat. Ze steunen elkaar door dik en dun.

Omgaan met verlies aan autonomie
Dingen loslaten die je vroeger zelf deed, is voor velen in het woonzorgcentrum erg lastig. Niet meer kunnen kiezen wat je gaat eten, moeten wachten tot je was uit de wasserij terugkeert na een leven waarin je zelf steeds voor anderen zorgde, is moeilijk. Ook minder vrijheid hebben om je dagindeling te bepalen, zorgt vaak voor ergernis.
Dat etenstijden vastliggen en activiteiten op vaste momenten plaatsvinden, is voor de grote meerderheid van de bewoners aanvaardbaar. Bij de persoonlijke zorg – opstaan, wassen, kleden, gaan slapen – wordt geprobeerd om zoveel mogelijk rekening te houden met de wensen van de bewoners, maar er zijn vaak onvoorziene omstandigheden waardoor schema’s in de war raken en zorgmomenten in tijd verschuiven, en dan moet je als bewoner soms veel geduld hebben. Niet weten wanneer iets gaat gebeuren en moeten wachten tot er iemand langskomt om je te helpen, is erg frustrerend. Geen greep hebben op een situatie zorgt voor onmacht en kwaadheid.
Mariëtte werd zes maanden geleden in het woonzorgcentrum opgenomen, na het overlijden van haar man. Ze zit in een rolstoel en is volledig zorgafhankelijk. Dankzij de zorg van haar man kon ze thuis blijven wonen. Het aanpassen aan het leven in het woonzorgcentrum is voor haar heel moeilijk. Ze klaagt de hele dag door over alles. Het eten is slecht, het personeel is onvriendelijk, de zorgverleners weten niet wat ze doen, ze beantwoorden haar beloproepen nooit, niemand kijkt naar haar om. Ze voelt zich achtergesteld, want iedereen krijgt meer aandacht en hulp dan zij. Zowel de hoofdverpleegkundige, de teamcoach, de maatschappelijk werkers, de psychologe en de moreel consulente gaan regelmatig bij haar langs. Iedereen probeert rekening te houden met hoe ze zich voelt en wat ze graag zou willen, maar toch blijft ze ontevreden.
Hoe iemand omgaat met (zorg)afhankelijkheid en verlies aan autonomie bij een opname in een woonzorgcentrum, is voor iedereen anders. Veel hangt af van hoe je vroeger was, hoe je in het leven stond, hoe je met verandering, rouw en verlies kon en kan omgaan en hoeveel veerkracht je hebt. De een heeft meer geduld dan de ander, de een kan al wat beter relativeren dan de ander.
Elisabeth probeert er na de dood van haar man het beste van te maken. Ze zegt dat ze tevreden is, maar nooit meer echt gelukkig. Voor haar mag het leven ook stoppen, het heeft lang genoeg geduurd en ze heeft er alles uit gehaald. Ze kijkt televisie, leest de krant, probeert het kruiswoordraadsel en het cryptogram op te lossen en noteert haar gedachten in een schriftje. Ze maakt driemaal per dag met haar rollator een wandeling in het gebouw en als het weer het toelaat in de tuin. Daar geniet ze echt van. Het is een mooie en verzorgde tuin en het beste, vindt ze, is dat ze er zelf niet in hoeft te werken.

Zich gehoord en gezien voelen
Gesprekken met bewoners gaan heel vaak over de frustraties die ze tijdens hun verblijf ervaren. Omgaan met (zorg)afhankelijkheid is vaak moeilijk. Het roept naast gevoelens van opluchting en dankbaarheid ook gevoelens van schaamte, verdriet, machteloosheid en boosheid op.
Er wordt heel veel geklaagd. Als moreel consulent heb je daar begrip voor. Je bent soms het enige klankbord van de bewoner. Je biedt steun, je luistert en je troost. Door naar de levensverhalen van de bewoners te luisteren en vragen te stellen, kom je te weten wat de persoon die voor je zit, belangrijk vindt. Je zoekt samen naar mogelijke oplossingen om het leven in het woonzorgcentrum draaglijker te maken. Je probeert mensen te motiveren om voor zichzelf op te komen of je helpt hen daarbij wanneer ze dat willen. Door te luisteren en te praten geef je je gesprekspartner het gevoel ertoe te doen. Je zorgt ervoor dat hij of zij zich gehoord en gezien voelt.
Hulp vragen en hulp toelaten is niet voor iedereen vanzelfsprekend, maar zeker is dat hoe groter de zorgafhankelijkheid is, hoe ingewikkelder de leefsituatie in een woonzorgcentrum wordt en hoe moeilijker het is om een zekere mate van autonomie te garanderen. Binnen de ouderenzorg leeft al langer het besef dat zelfbeschikkingsrecht geen luxe is, maar een fundamenteel recht en een basisbehoefte, zeker in een woonzorgcentrum. Zo werden er de voorbije jaren ook tal van initiatieven opgestart, zodat mensen met dementie of andere cognitieve problemen evenmin uit de boot vallen.
Het behouden en bevorderen van de autonomie is van essentieel belang voor het algemene welzijn van elke bewoner. Een opname in een woonzorgcentrum betekent niet per definitie het einde van de autonomie, maar uitdagingen zijn er wel. Het vraagt empathie, respect, betrokkenheid en geduld van iedere zorgverlener.
Ben je opgenomen in een woonzorgcentrum of ziekenhuis en heb je behoefte aan een luisterend oor voor een gesprek? De moreel consulenten van Ik wil praten staan voor je klaar. Een gesprek is strikt vertrouwelijk.
Lees hier andere artikels over zelfzorg.