Conflict & verbinding

Lang leve de lach! Humor verbindt én verdeelt

Laure Lytens

27 februari 2026

Heb je je ooit al afgevraagd waarom mensen lachen? Blijkt dat lachen verschillende redenen en betekenissen kan hebben. Ook humorbeleving is niet te verklaren aan de hand van één theorie. Humor kan verbinden, maar kan ook verdelen. Wat iemand als grappig ervaart, is bovendien cultuurgebonden, context- en tijdafhankelijk. Denk maar aan de invloed van woke op het Vlaamse comedylandschap.

En lachen maar

Jean en Baptiste staan op een golfterrein, hun club in de aanslag en klaar om op de bal te slaan. Tot hun focus door een in het zwart gedrapeerde rouwstoet wordt verstoord. Jean stopt midden in wat een prachtige swing zou zijn geweest, neemt zijn pet af en houdt de hand op het hart. Tot de hele rouwstoet is gepasseerd. Hij zet zijn pet weer op en houdt de club klaar. “Dat vind ik nu schoon van jou”, zegt Baptiste, “om zo je respect aan de overledene te betuigen.” Jean richt zijn blik op de horizon en zegt: “Dat is het minste dat ik kan doen na twintig jaar huwelijk.”

Of de eerst wat rechte lijn van je lippen nu een voorzichtige glimlach of een frons wordt, het is alleszins duidelijk dat het hier om een grap gaat. We herkennen de mop, zelfs als we ze niet grappig vinden. De moppentapper probeert ons vermogen aan te spreken om iets als amusant te ervaren, te waarderen of te uiten. Maar waarom ontstaat de lach?

 

Meer dan verbinding

Mensen lachen naar elkaar, om elkaar en met elkaar. Naar iemand lachen is een sociale emotie die helpt om vertrouwen en verbinding op te bouwen. Samen lachen creëert een wij-gevoel. De expressie kan dan bevestigend zijn, bijvoorbeeld om aan te tonen dat men het ergens mee eens is. Al kan een lach ook emoties als verdriet of ongemak trachten te maskeren. We kunnen alvast concluderen dat ‘naar elkaar lachen’ niet louter voor verbinding staat.

Die aspecten bieden antwoorden op waarom mensen naar of met elkaar lachen, maar zeggen ons niet zoveel over de humorbeleving an sich. Het verschil tussen de sociaal georiënteerde expressie (sociaal lachen) en de humorbeleving (iets écht grappig vinden) zit in de persoonlijke beoordeling van ‘wat grappig is’. Laat net dat laatste een onderwerp van discussie zijn.

 

Verklaar je nader

Er bestaan verschillende theorieën die trachten te verklaren wat humor is, welke functie het vervult en wat mensen grappig vinden. De drie bekendste theorieën zoeken hun verklaring in ontlading, incongruentie en superioriteit.

Samen lachen creëert een wij-gevoel, maar welk type humor jou het meest aanspreekt, is persoonlijk – en sommige mensen zijn ook goedlachser dan anderen

Volgens de ontladingstheorie dient humorbeleving om opgebouwde spanning of psychologische druk te ontladen. Spanning in stress- of angstsituaties neemt af doordat ons lichaam ontspant wanneer we lachen. Humor beleven is een manier van ons brein om creatief om te springen met wat het op dat moment als realiteit beleeft.

Anders dan de eerste theorie gaat de incongruentietheorie ervan uit dat humor ontstaat wanneer iets ingaat tegen wat we verwachten. Het gaat om een mismatch tussen verwachting en realiteit. Ons verwachtingspatroon wordt doorbroken, waardoor we een vorm van absurditeit ervaren. Daarop beleeft ons lichaam een gevoel van humor. De lach is daarbij nooit ver weg.

Volgens de superioriteitstheorie lachen mensen omdat ze zich superieur voelen tegenover anderen of situaties. De affectieve dispositietheorie voegt daar een extra laag aan toe door te onderzoeken hoe ons moreel oordeel – zoals sympathie of antipathie – bepaalt of we het leed of gedrag van anderen als grappig ervaren. Zo worden grappen over politici die men niet steunt, vaak als komischer gezien dan grappen over politici die men wel ondersteunt. Ook speelt de sociale afstand tussen burger en politicus een rol in hoe grappig iets wordt bevonden. Dat ter illustratie.

Misschien herkent de ene persoon zich meer in de incongruentietheorie en een andere in de ontladingstheorie. Het toont des te meer aan dat ze tegelijk en naast elkaar bestaan. Het betekent ook dat geen enkele theorie enkel en alleen geldt en dat bijgevolg elke theorie op zich te beperkt is om het geheel te verklaren. De uitspraak van de Nederlandse cabaretier Herman Finkers vat het eigenlijk mooi samen: “Ik kan me niet voorstellen dat het alleen een combinatie van factoren is.”

 

Een combinatie van factoren

Zoals veel zaken is humorbeleving niet te verklaren aan de hand van één theorie. Humor komt evenmin uitsluitend in één vorm. Zo vallen woord- en taalgrappen onder verbale humor, terwijl bij non-verbale acties eerder aan slapstick of een practical joke wordt gedacht. Uiteraard bestaan combinaties van verbale en non-verbale vormen ook.

Welk type humor jou het meest aanspreekt, is persoonlijk – of je nu platgaat op satire of op antihumor. Wat iemand als grappig ervaart, is cultuurgebonden, context- en tijdafhankelijk. Om die stelling te verduidelijken, verdiepen we ons in de invloed van woke op het Vlaamse comedylandschap. Om alvast de toon te zetten: “Only a ginger can call another ginger ginger”, zingt de Australische comedian Tim Minchin.

 

Woke

Het woord ‘woke’ – to wake up – werd in de jaren dertig van de vorige eeuw door zwarte Amerikanen als ‘slang’ gebruikt voor waakzaamheid of ‘wakker zijn’ voor racistisch onrecht. De beweging heeft sindsdien al verschillende revivals gekend en is dus niet nieuw. Wel nam ze de laatste jaren grotere proporties aan, mede dankzij sociale media. De strijd is inmiddels ook uitgebreid met steun voor andere thema’s zoals lgbtqia+-rechten en feminisme.

Wie de shows van Vlaamse comedians uit de jaren tweeduizend met hun recente werk vergelijkt, merkt een verschuiving in taalgebruik en stijl; ook hun thema’s veranderen onder invloed van de tijd

Het debat draagt bij aan een maatschappelijke evolutie richting meer bewustzijn en inclusie. Ook de westerse comedy is niet aan die invloed ontsnapt.

Wie de shows van Vlaamse comedians uit de jaren tweeduizend met hun recente werk vergelijkt, merkt zeker een verschuiving in taalgebruik en stijl. Enkele comedians blijven aan hun provocerende toon vasthouden, maar de meesten hebben de gevoeligheden toch meegenomen. Zij kiezen er bewust voor om bepaalde termen, zoals het n-woord, niet langer te gebruiken.

In De tafel van Gert, een talkshow van Gert Verhulst op Play, zei Alex Agnew, een van de populairste comedians in ons land, daarover: “Vroeger konden wij bijvoorbeeld wegkomen met heel veel casual racisme. Nu zijn er heel veel jonge mensen die zeggen: dat vinden wij echt niet meer oké. (…) Wat voor mij belangrijker is: ik beledig mensen liever door hen diep in hun ziel te raken met wat ik vind dat daar mis mee is, dan het te hebben over ‘uw huidskleur’ of ‘een benaming voor uw groep’.”

Enerzijds is het grote publiek kritischer geworden tegenover ‘casual racistische grappen’; ze vinden die niet (meer zo) grappig. Anderzijds zien veel comedians er de meerwaarde niet meer van in.

Thema’s veranderen onder invloed van de tijd, omdat de onderwerpen die mensen bezighouden, ook evolueren. Comedians halen een relevant spanningsveld aan om mensen te doen lachen en (soms) nadenken tegelijkertijd – binnen een bepaalde context. Het is in ieders belang dat de comedian zichzelf en publiek verenigt, aangezien ze beiden de lach begeren.

 

Antiwoke

Een bezorgdheid die de woke-invloed met zich meebrengt, is een overdreven (zelf)censuur. De kern van woke is om bewustzijn rond maatschappelijke onrechtvaardigheden te creëren, waarbij mensen bedachtzamer met hun taal, hun ideeën en ook hun humorbeleving omspringen. Dat legt het spanningsveld tussen oude en nieuwe gewoonten bloot.

Veranderen vraagt tijd en overtuiging, waarbij niet iedereen mee kan of wil. Sommige mensen zijn nu eenmaal erg rigide van geest. Daarnaast is ook niet iedereen het eens met een inclusiever wereldbeeld.

Die spanning resulteert in extremere uitersten. Aan de ene kant extremer woke-denken, waarbij moraalridders wild en ongeduldig op elke politieke incorrectheid hakken. Aan de andere kant een antibeweging die volhardt in conservatisme en soms racisme, waarbij men schreeuwt dat de (zelf)censuurcultuur de vrijheid beknot en mensen met niets meer mogen lachen.

De verbinding of inclusie moet hier plaatsmaken voor een gepolariseerd beeld. Door twee kampen die elkaar steeds minder begrijpen, verliest het initiële idee aan kracht. Maar ook dat gegeven is tijdgebonden.

 

Waar mogen we nog mee lachen?

Ik ben er geen echte voorstander van om mensen op te leggen waar ze wel of niet mee mogen lachen. Soms verschilt de humorbeleving van de een gewoon compleet met die van de ander. En sommige mensen zijn goedlachser dan anderen, waar an sich niets mis mee is.

Waarmee we lachen heeft niet altijd een rechtstreekse link met onze morele waarden. Humorbeleving kan ons soms plots overvallen. Hoe vaak heb je volgende gedachte al niet gehad: niet lachen, niet lachen – durf nu niet in de lach te schieten.

Zoveel factoren spelen een rol bij waarom we moeten lachen. De manier waarop humor plaatsvindt of de achterliggende intentie heeft een invloed. Ook waarom we met iets lachen – lachen we vanuit een superioriteitsgevoel, uit ontladingsredenen, uit incongruentie of om andere redenen? Daarbij is relevant wie de grap vertelt: is het iemand voor wie we sympathie voelen of eerder een beruchte figuur voor wie we minder vergevingsgezind zijn?

Wat iemand intern als humor beleeft, blijft een persoonlijke kwestie. Humor kan zich als zowel een speelveld als een mijnenveld manifesteren, zelfs als het de intentie is te verbinden. Humor kan dus een verbindende factor zijn, maar ook één die verdeelt.

Als je één iets mag onthouden, is het dat het belangrijkste doel van humorbeleving is te vermaken. Om daarin verbindend te zijn, is het aangewezen om rekening te houden met de omstaanders. En als je dan één leuze wil koesteren: lang leve de humor!

Meer artikels over het thema ‘conflict & verbinding’ lezen? Dat kan hier.

Geïnteresseerd in activiteiten van deMens.nu en huisvandeMens? Neem een kijkje in de agenda.