Opinie

“Iedereen heeft recht op een goed leven”

6 oktober 2025

Kurt Van Eeghem is presentator, acteur en schrijver. In zijn column staat hij stil bij de migratie van en naar ons land de afgelopen tweehonderd jaar.

Iedereen heeft recht op een goed leven. Als dat in de eigen gouw niet lukt, dan zoek je het op een ander. Zo verhuisden honderdduizenden Vlamingen naar den vreemde. Aan het begin van de negentiende eeuw deden ze ervaring op door ‘het seizoen te doen’ bij Franse boeren. Dan volgde de industriële revolutie en kwam de Borinage in beeld. Massaal daalden analfabete sukkelaars af in de mijnschachten. Les sales flamins kwamen met de trein, maakten lange dagen van vuil en hard werk en sliepen in barakken. De autochtonen spuwden op het ruige volkje. Na een paar maanden mochten ze een weekje naar huis. Dat vierden ze in de cafés rond de koolputten, wat vaak tot een potje vechten leidde. Uiteindelijk sleepten de gendarmes ze naar de wachtende treinen.

De flamins vroegen zich af of dat heen en weer reizen wel nodig was. Waarom niet met vrouw en kroost verhuizen? Eerst in barakken, later in een huisje, maar steeds onder de rook van de hoge schouwen hokten ze samen. Verder dan de volkse cités raakten ze niet. In het chique Charleroi met de mooie art-nouveauwoningen waren ze niet welkom. De opbrengsten van hun werk wel. Dat het ongelijk verdeeld was, hadden ze snel in de smiezen.

Ze werkten als beesten en wroetten zich letterlijk uit de putten. De kinderen leerden Frans, rekenen en schrijven à l’école maternelle. De Van Cauwenberghes, Reyndersen of Jacobsen lieten niet met zich sollen en werden volbloed Walen die weigerden om nog langer in de duistere gangen af te dalen.

In de laars van Italië leed men honger en vond men verse krachten. De keuterboertjes zetten een kruisje onder een wurgcontract, ze beseften amper wat ze ondertekenden. Duizenden namen de trein en ruilden het warme Zuiden in voor de koude barakken van de Borinage. De nieuwe Walen met oer-Vlaamse namen bekeken het ruige volkje met groot dedain. Ach, zolang ze de welvaart met hard labeur dienden, was het goed. De kleine Adamo’s en Di Rupo’s leerden rekenen en schrijven, stelden zich dezelfde vragen als les sales flamins en zeker na de ramp in Marcinelle wilde niemand nog in de mijnschachten werken.

Aan de andere kant van de Middellandse Zee zeurden stevige kerels niet over het gevaar, de families hadden niets en werd een betere toekomst in het verre België beloofd. Gedwee namen ze de liften van de Borinage naar die vreselijke diepte, lieten de houwelen op de kolenaders dreunen, dag na dag. In de barakken klonk hun gerochel steeds onheilspellender. Ze verzamelden rond een tajine, terwijl Walen, ex-Vlamingen en ex-Italianen neerkeken op dat vreemde gespuis, die bruine ruwaards met hun rare godsdienst. Sales Turcs, sales Marocains.

De technologische revolutie veranderde de mores nog maar eens en de welvarende Borinage kreeg het hard te verduren. De mijnen sloten een voor een, de hoogovens volgden. Het ooit zo welvarende Wallonië verpieterde. Demonstreren had geen zin, het was onafwendbaar. Hun kinderen kregen amper een kans om zich uit de ellende te hijsen. Een enkeling voetbalde zich rijk in Liverpool, een ander schopte het tot acteur.

Zoals de Vlamingen destijds Wallonië bevolkten, zo heeft de wereld Vlaanderen ontdekt. Een nieuw ruig volkje wordt scheef bekeken, want wie het laatst komt, wordt altijd bespuwd. Mo en Rachid vragen zich af wat die Roma hier komen zoeken.

In opdracht van VRT-journaliste Martine Tanghe maakte ik ooit een reportage over een boer uit Tielt die in de jaren zestig van de vorige eeuw naar Waals-Brabant emigreerde. Hij is er burgemeester geworden. Trots sprak hij een paar woorden West-Vlaams. Zijn kinderen konden Tielt niet aanwijzen op de kaart. Ze waren geïntegreerd.