Column
Tinneke Beeckman
19 december 2025
Dat het schijnbaar goede zo makkelijk wordt ingezet om het kwade te rechtvaardigen, noemde schrijver Aldous Huxley een van de belangrijkste en meest tragische motieven in de geschiedenis. In haar column gaat filosofe Tinneke Beeckman dieper in op die gedachte.
Fanatici begaan de vreselijkste daden terwijl ze de hoogste idealen prediken. Hoe valt dat te begrijpen? De Engelse schrijver Aldous Huxley (1894-1963), bekend van Brave New World, onderzoekt die vraag in Grey Eminence. Dat boek uit 1941 behandelt het religieuze en politieke leven van François Leclerc du Tremblay (1577-1638), alias ‘le Père Joseph’. Die kapucijner monnik was de vertrouweling van kardinaal Richelieu, bijgenaamd ‘l’Eminence rouge’. Die was op zijn beurt de rechterhand van de Franse koning Lodewijk XIII. De monnik speelde een nefaste politieke rol: zijn fanatisme verlengde de religieuze conflicten die nu bekendstaan als de Dertigjarige Oorlog (1618-1648).
Huxley wil weten hoe iemand die zijn leven in dienst van God stelt, die een extreem ascetisch leven leidt en de hoogste vormen van mystieke ervaring nastreeft, tegelijk zo’n politieke intrigant kan zijn. Hoe kan zo iemand honderdduizenden soldaten en burgers een gruwelijke dood injagen?
Het lijkt onbevattelijk: om een mystieke eenheid met God te beleven, moet je jezelf verloochenen. Dat heet ‘actieve annihilatie’ in religieuze termen: je beoefent praktijken die het ego temperen. Voor Père Joseph betekende dat dagelijks urenlang bidden, sober en streng leven. Hij verbleef aan het Franse Hof, maar leek onverschillig voor luxe, rijkdom en roem. Hij werkte achter de schermen als een officieuze minister van Buitenlandse Zaken. Kardinaal Richelieu noemde hem ‘Tenebroso-Cavernoso’; de duistere, heimelijke monnik.
Volgens Huxley werd die zelfverloochening echter doorkruist door een mateloze ambitie voor Frankrijk. De monnik had als motto ‘Gesta Dei per Francos’: Franse daden uitvoeren voor God. De machtspolitiek van de Franse koning werd gelijkgesteld aan Gods plan. Zo werd de monnik de uitvoerder van Gods wil, zelfs wanneer hij zonden beging zoals spioneren, chanteren, manipuleren. Cynisch gezegd, schrijft Huxley, kon Père Joseph kwaadaardig, dominant en eerzuchtig zijn, zolang hij meende aan Gods wil te gehoorzamen.
Huxley verbindt die ontsporing aan een mogelijke interpretatie van het christelijke lijdensverhaal. Christus stierf aan het kruis om mensen van hun zonden te verlossen. Op een gelijkaardige manier vereist het geloof dat sommigen lijden – zoals soldaten en burgers – om anderen – met name de Franse koning – te redden. Nog een element is de adoratie voor Christus’ lijden. De keerzijde daarvan, aldus Huxley, is het verlangen naar wraak op wie Gods Zoon afwijst. Geweld tegen andersdenkenden, protestanten, Joden, inheemse volkeren en vele anderen lijkt dan gerechtvaardigd. Daarbij horen de bestraffingen die de monnik zichzelf als zondaar voortdurend oplegde; die maakten hem alleen strenger. Nooit stelde hij zijn opvattingen ter discussie. Zijn leven stond dus in het teken van het lijdensverhaal, maar hij was ongevoelig voor het lijden van anderen geworden. Huxley plaatst die interpretatie van de christelijke mystiek tegenover de boeddhistische traditie, die hij in The Perennial Philosophy en in Island bespreekt.
Huxley besluit dat wie zich met politiek inlaat, religieus niet zuiver kan blijven. Hij schreef zijn werk tijdens de Tweede Wereldoorlog; hij wilde ook hedendaagse vormen van fanatisme begrijpen. Dat het schijnbaar goede zo makkelijk wordt ingezet om het kwade te rechtvaardigen, noemt Huxley een van de belangrijkste en meest tragische motieven in de geschiedenis.