Interview

Katleen Gabriëls: "Een van de grootste blinde vlekken is dat veel technologie historisch is ontwikkeld door witte mannen"

Joke Goovaerts en Dimitri De Smet

Op Internationale Vrouwendag, zondag 8 maart, richt het Begga Festival in Mechelen de aandacht op vrouwen die vandaag het maatschappelijk debat mee vormgeven. Katleen Gabriels, moraal- en techniekfilosoof aan de Universiteit Maastricht, is een van de sprekers. Haar onderzoek focust op de morele implicaties van digitale technologie: “Een van de grootste blinde vlekken is dat veel technologie historisch is ontwikkeld door witte mannen.”

Op 8 maart staat de visionaire vrouw centraal op het Begga Festival. Waar wil jij het accent leggen, en welke toekomstbeelden voor vrouwenrechten zijn volgens jou vandaag het meest urgent?

Er zijn drie domeinen die voor mij telkens opnieuw oplichten: vrouwen in de academische wereld, vrouwen en reproductie en vrouwen en zorgtaken, zeker nu digitalisering zo’n grote rol speelt in hoe we ons leven organiseren. Over al die thema’s bestaat ondertussen stevig wetenschappelijk onderzoek.

Neem de academische wereld. Vrouwelijke docenten en professoren worden anders beoordeeld dan mannen. In onderwijsevaluaties scoren vrouwen systematisch lager of worden ze afgerekend op zaken die eigenlijk irrelevant zijn: hun leeftijd, hun uiterlijk. Vooral jonge vrouwelijke docenten ondervinden dit. Wanneer zij ouder worden, neemt hun veronderstelde ‘autoriteit’ toe en verdwijnen sommige vooroordelen naar de achtergrond. Mannelijke docenten daarentegen krijgen sneller leiderschapskwaliteiten toegeschreven, eigenschappen die bij vrouwen minder vanzelfsprekend worden gezien. Dat wijst op hardnekkige vooroordelen die diep in beoordelingsprocedures verweven zitten.

Recent verscheen een Deense studie waarin 77 hoogleraren, mannen én vrouwen, werden geïnterviewd. Denemarken wordt nochtans vaak gezien als een gidsland op het vlak van gendergelijkheid. Toch benoemen vrouwelijke professoren vooral de structurele obstakels: de informele netwerken waar je moeilijk toegang toe krijgt, de subtiele uitsluitingsmechanismen, de vooroordelen in evaluaties. Mannen verwijzen daarentegen vaker naar individuele eigenschappen: vrouwen zijn minder ambitieus of wensen een andere werk-privébalans.

Een voorbeeld in een andere studie dat me altijd treft is de manier waarop groepspublicaties worden beoordeeld. Wanneer vrouwen in groep publiceren, worden ze sneller afgerekend op vermeende ‘onzelfstandigheid’, terwijl mannen in dezelfde situatie nauwelijks op dat criterium beoordeeld worden. Om hetzelfde te bereiken, moeten vrouwen dus aantoonbaar harder werken. Dat is geen gevoel, dat is gedocumenteerd.

Voor mij is het essentieel om die structurele mechanismen zichtbaar te maken. Niet om te klagen, maar om te begrijpen hoe ongelijkheid vandaag werkt. Pas dan kunnen we toekomstbeelden ontwikkelen die vrouwenrechten echt vooruithelpen.

Katleen Gabriels: “Hoe hoger je klimt op de academische ladder, hoe zichtbaarder de ongelijkheid wordt.”

Je zou denken dat de academische wereld beter zou scoren op het vlak van vrouwenrechten, maar die vooroordelen blijven toch hardnekkig bestaan?

Dat is precies het spanningsveld. Als je naar de studentenpopulatie kijkt, zie je heel veel vrouwen, al verschilt dat per richting. Maar hoe hoger je klimt op de academische ladder, hoe zichtbaarder de ongelijkheid wordt. In Vlaanderen zitten we vandaag rond de 34 procent vrouwelijke professoren en gastdocenten. Dat lijkt een mooi cijfer, maar zodra je naar de hogere rangen kijkt, zie je de bekende leaking pipeline: vrouwen vallen onderweg disproportioneel vaak uit.

Dat heeft met verschillende factoren te maken, en zorgtaken spelen daar een belangrijke rol in. Tijdens de coronaperiode werd dat pijnlijk duidelijk: veel vrouwelijke onderzoekers hadden het moeilijker om te blijven publiceren omdat ze thuis een groot deel van de zorg op zich namen. Dat heeft directe gevolgen voor hun carrièrekansen, want publicaties zijn nu eenmaal de valuta van de academische wereld.

En het gaat breder dan de universiteit?

Kijk naar mediaoptredens: vrouwen willen het vaak vooral over de inhoud hebben, terwijl mannen zich makkelijker profileren. Ik wil dat absoluut niet binair voorstellen, mannen zijn net nodig als bondgenoten, maar het zijn wel patronen die in studies terugkomen.

Er is ook onderzoek dat laat zien dat vrouwen vaker worden onderbroken wanneer ze het woord nemen, zowel in de media als in politieke contexten. Dat lijkt een detail, maar het beïnvloedt hoe serieus iemand genomen wordt.

Daarnaast is er een kleine, maar interessante Belgische studie van Seppe van Bladel van de Universiteit Gent. Hij sprak met vrouwen die actief zijn in wetenschapscommunicatie. Daaruit bleek dat de bewijslast voor hen vaak hoger ligt. Een vraag naar expertise wordt sneller een soort test: “Weet je het wel zeker?” Ze moeten door extra hoepels springen en er wordt niet altijd echt geluisterd naar wat ze inhoudelijk brengen.

Dat zijn allemaal kleine schakels, maar samen tonen ze hoe structureel het probleem is.

Zorgtaken verschuiven mee met digitalisering, maar ze blijven opvallend vaak bij vrouwen liggen?

Je ziet dat zorgtaken vandaag in subtielere vormen terugkomen. Denk aan de digitalisering van het gezinsleven: het monitoren van kinderen, het opvolgen van schoolplatformen, het beheren van agenda’s en afspraken. Dat zijn taken die altijd opvallend vaak bij vrouwen terechtkomen. Zorg is voor veel vrouwen een dagelijkse worsteling. De maatschappelijke verwachtingen zijn hardnekkig: bij ouder wordende ouders valt de zorg meestal op dochters, en bij kinderen wordt nog altijd sneller naar de moeder gekeken. Ilse De Witte beschrijft dat scherp in Vrouwen willen meer dan een roze creditcard. Ze ontmaskert niet alleen de financiële ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar toont ook hoe diep die patronen in onze cultuur verankerd zijn.

Katleen Gabriels: “Zelfs in mijn omgeving, bij uitgesproken feministische mannen, hoor ik hetzelfde: ‘Als ons kind ziek is, bellen ze altijd naar de moeder’.”

Veel van die ongelijkheid begint al in de opvoeding. Ouders praten gemiddeld anders over geld met dochters dan met zonen. En de keuzes die meisjes en jongens maken, hebben vaak een verschillende financiële impact. Meisjes gaan babysitten, jongens doen vakantiewerk in de bouw, dat lijkt banaal, maar het creëert al vroeg een verschil in inkomsten en in hoe je naar werk kijkt.

Zelfs in mijn omgeving, bij uitgesproken feministische mannen, hoor ik hetzelfde: “Als ons kind ziek is, bellen ze altijd naar de moeder.” Zelfs mannen die actief bondgenoot willen zijn, botsen op die vooroordelen.

Wat zegt het volgens jou dat vrouwen vandaag meer kansen hebben dan ooit, maar dat de onderliggende ongelijkheden toch zo persistent blijven?

Zelf ben ik altijd gefascineerd geweest door feministische literatuur. Zoals bijvoorbeeld The Bell Jar van Sylvia Plath of The Feminine Mystique van Betty Friedan. Boeken uit de jaren zestig waarin vrouwen voor het eerst heel open spraken over hun onvrede. Wat mij raakt, is hoe herkenbaar die thema’s vandaag nog zijn. De context verandert, maar de dynamieken blijven opvallend gelijk.

Tegelijk is er vooruitgang. Volgens recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek in Nederland is ongeveer 70 procent van de vrouwen vandaag economisch zelfstandig. In de jaren zeventig was dat nog maar 20 procent. Dat is een enorme sprong, en die moeten we ook benoemen.

Maar economische zelfstandigheid wordt gemeten op basis van het minimuminkomen, rond de 1.300 euro. Dan vraag ik me af hoe zelfstandig je in de praktijk echt bent. Kun je met dat bedrag een leven opbouwen, een huur betalen, onverwachte kosten dragen? Dat blijft een terechte vraag, en het toont hoe precair die vooruitgang soms is.

De jongere generatie lijkt minder progressief?

Absoluut. In de Lage Landen, maar ook in landen als Italië en Polen, winnen conservatieve partijen terrein. Een grote Europese waardestudie die om de negen jaar wordt herhaald, toont dat millennials minder progressief zijn dan verwacht. Onderzoekers linken dat aan de opeenstapeling van crisissen sinds het begin van deze eeuw: de war on terror, de bankencrisis, de vluchtelingencrisis, de Europese schuldencrisis, de klimaatcrisis en corona. In Nederland speelt ook de wooncrisis.

Katleen Gabriels: “Sommige partijen blijven de uitbreiding van de abortuswetgeving ideologisch blokkeren. Dat past in een bredere beweging waarin verworven rechten opnieuw onder druk staan.”

Door dat voortdurende gebrek aan stabiliteit, ook economisch, door flexcontracten, gaan jongeren vaker op zoek naar houvast en autoritaire figuren. Dat vertaalt zich in minder progressieve attitudes.

Je zit sinds kort in de algemene raad van Luna vzw, de organisatie van Nederlandstalige abortuscentra in België. Blijft het thema gevoelig liggen?

Zeker. Sommige partijen blijven de uitbreiding van de abortuswetgeving ideologisch blokkeren. Dat past in een bredere beweging waarin verworven rechten opnieuw onder druk staan. Het terugdraaien van Roe vs. Wade in de VS is daarvan een extreem voorbeeld. Tegelijk ontstaan er nieuwe vormen van verzet, zoals de Amerikaanse chatbot Charley, die vrouwen anoniem informatie geeft over abortus.

Welke blinde vlekken zie je in het debat over vrouwenrechten en technologie?

Een van de grootste blinde vlekken is dat veel technologie historisch is ontwikkeld door witte mannen. Dat is op zich niet per se problematisch, ik werk zelf uitstekend samen met mannelijke collega’s, en we hebben feministische mannen nodig, maar het betekent wel dat bepaalde problemen sneller op de agenda komen dan andere. Een bekend voorbeeld: een van de eerste versies van Siri kon je helpen bij de aankoop van Viagra, maar wist geen weg naar een abortuscentrum. Dat zegt veel over welke noden wél en niet gezien worden.

Hoe vertaalt dat zich naar technologie die we dagelijks gebruiken?

Er zijn talloze voorbeelden. In studies naar Google-advertenties bleek dat vrouwen minder vaak vacatures voor goedbetaalde jobs te zien kregen wanneer het algoritme wist dat ze vrouw waren. Dat is moeilijk aan één oorzaak toe te schrijven. Het is een wisselwerking tussen het bedrijf, adverteerders en surfgedrag, maar het resultaat is wel degelijk discriminerend. Als je zoiets in het straatbeeld zou zien, zouden we het onmiddellijk benoemen. Online gebeurt het evenzeer, maar veel subtieler.

Technologie kan vrouwen beschermen, maar ook schaden.

Precies. Mijn studenten gebruiken vaak locatietracking om zich veiliger te voelen wanneer ze ’s avonds onderweg zijn. Maar diezelfde technologie wordt in gewelddadige relaties gebruikt om vrouwen te controleren of te stalken. Slimme thermostaten worden misbruikt om partners letterlijk in de kou te zetten. Technologie kan bevrijden, maar ook onderdrukken, afhankelijk van wie ze gebruikt en met welke intentie.

Zijn er nog andere voorbeelden waar technologie vrouwen extra kwetsbaar maakt?

Menstruatie-apps zijn een belangrijk voorbeeld. In de VS werd na het terugdraaien van Roe vs. Wade gewaarschuwd dat die data tegen vrouwen gebruikt kan worden. Als een app registreert dat iemand plots geen menstruatie meer heeft, kan dat in bepaalde staten geïnterpreteerd worden als een mogelijke abortus. Dat maakt vrouwen extreem kwetsbaar.

Op zondag 8 maart, Internationale Vrouwendag nodigt het Begga Festival je uit voor een inspirerend (stads)festival waar vrouwen centraal staan. Tijdens het ochtendprogramma gaan vier prominente stemmen met elkaar in gesprek: Martha Claeys, Caroline Gennez, Damya Laoui en Katleen Gabriels. Onder leiding van Phara de Aguirre schuiven ze thema’s naar voren die het publieke debat al langer bepalen: morele verantwoordelijkheid, politieke keuzes, wetenschappelijke vooruitgang en de impact van technologie op het dagelijks leven. Meer info

Bekijk De inzichten met Katleen Gabriëls op VRT MAX