In de jaren ‘50 groeide in vrijzinnige kringen meer en meer de overtuiging dat het nuttig en noodzakelijk was als vrijzinnigen zich te verenigen in de gemeente om onder de naam Vrijzinnig Laïciserende Centrum naar buiten te komen. Hiermee wilden de vrijzinnigen, én de overheden, én de bevolking, ermee confronteren dat in het toen nog genoemde “katholiek Vlaanderen” ook andersdenkenden aanwezig waren.
Aanvankelijk waren dit feitelijke verenigingen die zich na verloop van tijd en volgens de noodwendigheden onder de juridische vorm van de V.Z.W. organiseerden. Nog later streefden deze pioniers naar de ontwikkeling van een eigen gemeenschapsruimte waar zij zich vrij konden treffen voor vergaderingen, activiteiten en samenkomsten in het algemeen. Deze ontmoetingsplaatsen waren het bewijs van de materiële aanwezigheid in de gemeente van de vrijzinnige gemeenschap en gaven kansen om naar de bevolking denkinhouden en visies op maatschappelijke problemen uit te dragen, gestoeld op een vrijzinnige gedachte.

De opkomst van deze vrijzinnige centra werd vooral door de katholieke politieke overheden, maar ook door andere,… niet op gejuich onthaald. Vandaar dat zij zelfbedruipend moesten zijn en slechts af en toe met mondjesmaat via het lokale politieke beleid op enige steun konden rekenen van al even lokale overheden.
Dat die centra volledig “gerund” werden door vrijwilligers die van geen enkel materieel comfort konden genieten en vaak in een algemene sfeer van vijandschap en achterdocht van de goegemeente moesten werken, verklaart waarom wij in Vlaanderen in pakweg 50 jaar niet meer dan 25 centra hebben tot stand zien komen. Dit verklaart ook waarom de roep naar gelijkberechtiging van de vrijzinnige gemeenschap tegenover de erkende godsdiensten op vlak van financiële middelen zo groot werd.

Eindelijk is het nu zo ver en is de financieringswet een feit. Denken dat hiermee de problemen van de baan zijn, is de vrijzinnige geweld aandoen. Poincaré indachtig is het voor de vrijzinnige “het zich niet onderwerpen aan …” een nooit eindigend “dogma”. Dus voor de vrijzinnige gedachte en de niet-confessionele dienstverlening is er nog een grote toekomst in de Vrijzinnige Centra. Ons vermoeden is echter dat wij het eens te meer zelf zullen moeten waarmaken en dat dus voor de vrijwilligers nog heel wat werk voor de boeg ligt. Wij zijn ervan overtuigd dat deze gedreven vrijwilligers eens te meer in de bres zullen staan ten bate van de vrijheid, de gelijkheid en de broederlijkheid of anders gezegd van het vrijzinnig, niet-confessioneel humanisme.