Vrijdenken

“Ik vind het zalig om te kunnen zeggen: ik weet het eigenlijk niet”

Bert Goossens en Dimitri De Smet

28 augustus 2026

In tijden van harde stellingen en polarisatie valt de genuanceerde stem van filosofe Tinneke Beeckman (49) op. Twijfelen, je eigen ideeën in vraag stellen en proberen te begrijpen wat de ander beweegt: voor haar zijn het essentiële onderdelen van vrijdenken. Op 24 oktober gaat ze daarover in gesprek tijdens het Vurig Verbonden Lichtfestival.

We worden warm verwelkomd bij de filosofe thuis en ontsnappen er niet aan om een koekje (of drie) te nuttigen. Haar nieuwste boek is net naar de drukker en de opluchting na de laatste loodjes is voelbaar. Daarover later meer. Eerst willen we het met haar hebben over een van de kernbegrippen van het vrijzinnig humanisme: vrijdenken. Wat betekent het precies? Hoe brengen we het in de praktijk? En wat vraagt het van onszelf?
Na een academische carrière is Tinneke Beeckman al jaren actief als zelfstandig filosoof en auteur. Met boeken als Ken jezelf, columns en publieke optredens brengt ze kritische bespiegelingen naar een breed publiek. De kiem daarvoor werd al vroeg gelegd. In het derde middelbaar gaf ze tijdens de les niet-confessionele zedenleer een spreekbeurt over Voltaire en de Franse Verlichting. Ook thuis werd kritisch denken sterk gestimuleerd: “Ik had heel kritische ouders. Mijn ouders waren katholiek, maar zijn er allebei van afgestapt. Ze lazen heel veel. Mijn moeder leerde me ook eerlijkheid en zelfkritiek. Ze kon ’s ochtends zeggen: ‘Ik heb vannacht nagedacht en ik zat echt fout. Dat had ik niet moeten doen.’ Dat vond ik altijd heel indrukwekkend. En ook irreverence, zoals ze dat in het Engels zeggen: mijn moeder was nooit onder de indruk van iemands positie. Ze was heel stil en bescheiden, maar op haar eigen manier ook rebels en eigenzinnig. Ik denk dat ik wel iets van haar heb meegekregen.”

Als vrijzinnig humanisten omarmen we vrijdenken. Maar wat betekent dat juist?

Er zijn twee aspecten aan vrijdenken. Er is iets intern: een soort overleg met jezelf, kritisch nadenken over je eigen blinde vlekken en motieven. Je groeit ook op in een bepaalde wereld, met een bepaald denkkader. Maar de wereld verandert ook. Wat is er nieuw? Vrijdenken is dus ook een beetje tegen jezelf denken. Anderzijds gaat het over kritisch naar de buitenwereld kijken. Je afvragen: wat zeggen mensen écht? Wat staat er op het spel?
Vrijdenken is dus ook de bereidheid om te zeggen: hier doe ik even niet met jullie mee. Dat kan moeilijk zijn door je familie, je positie, je status of omdat je financieel afhankelijk bent. Er zijn heel wat factoren die ervoor kunnen zorgen dat je minder vrij denkt dan je zelf zou willen.
Maar ik vind de betrachting belangrijk. Dat het misschien niet altijd helemaal lukt, vind ik minder belangrijk dan het feit dat je het probeert.

Dat doet denken aan Immanuel Kant en zijn Sapere aude: durf te denken.

Hij haalt dat bij de Romeinse dichter Horatius. Die zei: wie begint, heeft eigenlijk al gewonnen. Het gaat erom onderweg te zijn en te proberen vanzelfsprekende aannames kritisch te bekijken. En ook bereid te zijn de gevolgen te dragen als je iets zegt waar anderen niet altijd voor openstaan. Het is een strijd tegen gemakzucht, tegen je eigen onmondigheid, tegen lafheid en tegen luiheid.

Een van de bekendste vrijdenkers is de Griekse filosoof Socrates, die voortdurend vragen stelde en vanzelfsprekendheden in twijfel trok. Is twijfel een essentieel onderdeel van vrijdenken?

Als je over een vraag nadenkt, word je altijd geconfronteerd met de beperkingen van je eigen denken. Hoe meer je weet, hoe minder zeker je kunt zijn. Je beseft hoe complex dingen zijn, hoe moeilijk het is om het volledige perspectief te zien en ook hoe vaak je je al vergist hebt. Voor mij hoort twijfel er dus zeker bij. Ik vind dat eigenlijk een opluchting. Ik vind het zalig om te kunnen zeggen: ik weet het eigenlijk niet. Of om te zeggen: vroeger zag ik het zo, maar nu denk ik dat ik mij vergist heb. Met wat ik toen wist, was het begrijpelijk dat ik dat dacht, maar nu zie ik het anders. Dat is helemaal geen nederlaag. Dat is een bevrijding. De ontspannen manier waarop Socrates daarmee omgaat, blijft inspirerend.
Als je altijd gelijk wilt hebben en vooral het ongelijk van de ander wilt aantonen, raak je gevangen in je eigen dogmatische houding, in dat absolute verlangen om gelijk te hebben. Openlijk durven twijfelen geeft jezelf veel meer ademruimte.

Vrijdenken betekent ook dat je probeert buiten je eigen perspectief te treden. Spinoza sprak over het ‘perspectief van de eeuwigheid’. Wat houdt dat precies in?

Tinneke Beeckman: “Het is niet omdat de ander ongelijk heeft, dat jij gelijk hebt.”

Volgens Spinoza zijn we allemaal deel van een oneindige natuur. In dat opzicht maakt hij geen fundamenteel onderscheid tussen mensen, dieren en de rest van de natuur. We zijn geneigd om de wereld vanuit ons eigen perspectief en belang te bekijken. Goed is dan wat voor míj goed is. Sub specie aeternitatis, het gezichtspunt van de eeuwigheid, betekent dat je probeert de dingen niet alleen vanuit jezelf, maar vanuit het geheel te bekijken. Je kunt ook naar jezelf kijken als een derde persoon, als een soort mier die daar zit te friemelen en haar best doet. Je beseft: ik ben eigenlijk maar iets heel kleins, een onderdeel van iets dat mij eindeloos overstijgt. Je eigen verlangens of ideeën verdwijnen daardoor niet, maar je krijgt er een ander perspectief op. Je beseft ook dat andere mensen vanuit hún perspectief naar de wereld kijken en dat we allemaal deel uitmaken van een groter geheel.

Kan zo’n perspectief helpen om als vrijdenker om te gaan met polarisatie?

Bij polarisatie ligt al het slechte bij de ander. Men denkt: de wereld zou een betere plek zijn als die ander maar zou veranderen. Dat maakt je niet alleen blind voor je eigen gedrag en voor wat je zelf teweegbrengt, het maakt je ook onmachtig. Want de verandering moet altijd van de ander komen. Kritisch en vrij denken betekent net dat je ook naar jezelf kunt kijken: wat kan ík beter doen? Je moet niet alles bij de ander leggen. Polarisatie wordt ook heel snel identitair: wie ben ik? Ik ben vooral níét die ander. Maar wat heb je daarmee opgelost? Welke problemen kunnen we nog oplossen als we voortdurend naar de ander wijzen?
Als je naar de geschiedenis kijkt, zijn belangrijke hervormingen en veranderingen tot stand gekomen door met zoveel mogelijk mensen samen te werken, niet door tegenover elkaar te staan. Ook daar is die verbondenheid belangrijk.
Nietzsche beschrijft met het begrip ressentiment mooi hoe verleidelijk het is om te denken: jij bent slecht, dus ben ik goed. Maar het feit dat de ander slecht is, maakt jou nog niet goed. Het is niet omdat de ander ongelijk heeft, dat jij gelijk hebt. Ook jij kunt blinde vlekken en tekortkomingen hebben.

Vandaag is er zoveel kennis en informatie toegankelijk. Tegelijk worden we overspoeld met desinformatie. Hoe vind je als vrijdenker je weg in dat kluwen?

Dat is een heel goede én heel lastige vraag. Er is niet alleen ongelooflijk veel informatie, maar zodra algoritmes begrijpen wat jouw perspectief en interesses zijn, vrees ik dat je nog moeilijk uit die bubbel raakt. Ik probeer daarom heel uiteenlopende stemmen te beluisteren, zowel links als rechts. Ik probeer te begrijpen wat mensen willen zeggen en wat er voor hen op het spel staat, ook als ik het niet met hen eens ben. Dat opent je perspectief. Je kunt nog altijd zeggen: ik ben het volledig oneens met die oplossing, maar het helpt mij wel om de wereld beter te begrijpen. Daarom volg ik bijvoorbeeld podcasts waarin bewust verschillende stemmen aan bod komen. Maar het blijft lastig en soms bedrieglijk. Iemand kan zich in een interview op een bepaalde manier voordoen, terwijl die persoon elders op het internet veel radicalere ideeën verkondigt. Je moet dus ook kritisch blijven kijken: waar staat iemand werkelijk voor? Ik heb daar zelf niet echt een sluitend antwoord op. Maar een zekere argwaan moet blijven bestaan: wat zeggen mensen eigenlijk écht?

Ligt daar ook een belangrijke taak voor het onderwijs: jongeren vormen tot kritische burgers?

Tinneke Beeckman: “Vrijdenken is dus ook een beetje tegen jezelf denken.”

Ik denk dat het onderwijs al zoveel dingen tegelijkertijd moet doen. Te veel, eigenlijk. Leerkrachten moeten kennis overdragen, orde en rust bewaren en ervoor zorgen dat kinderen zich goed voelen. Tegelijk krijgen ze te maken met sociale en psychologische problemen en met wat kinderen thuis meemaken. En daar komt dan nog eens die hele verwarrende samenleving bovenop. Ik vrees dus dat we soms te veel verwachten van het onderwijs. Idealiter speelt het natuurlijk een belangrijke rol in het vormen van kritische burgers.
Dat raakt ook aan de paradox van een liberale samenleving. Iedereen mag individueel leven en denken zoals die wil. De staat mag daar niet zomaar tussenkomen, en dat is natuurlijk een groot goed. Maar tegelijkertijd verwachten we wel dat iedereen een aantal liberale principes aanvaardt. Hoe zorg je ervoor dat mensen die principes onderschrijven als ze tegelijkertijd de vrijheid hebben om illiberale of antiliberale ideeën te koesteren, uit te dragen en hun kinderen daarin op te voeden?

Die spanning tussen vrijheid en illiberale ideeën speelt ook in het debat over academische vrijheid. Aan de UGent is er momenteel veel discussie over Nathan Cofnas. Hoe kijk jij naar die kwestie?

Ik ben blij dat ik dat probleem niet moet oplossen. (lacht) Ik denk dat het een symptoom is van een veel groter probleem. Als je alleen naar Cofnas kijkt, dreig je dat uit het oog te verliezen. Dat is eigen aan deze tijd: er ontstaan hetzes rond één persoon, één gebeurtenis of één uitspraak. Ik denk dat je moet proberen dat wat te overstijgen. (denkt na)
Alles in het leven heeft een schaduwzijde. Cofnas zie ik, niet alleen als persoon, in zekere zin ook als de schaduwzijde van een ander denken dat door sommige luide stemmen te sterk is verabsoluteerd. Het idee dat ongelijkheid vanuit één schema verklaard kan worden en dat er één juiste manier is om ernaar te kijken. Zeker na de moord op George Floyd ontstond bij sommige activisten het verlangen naar een omgeving waarin één gedachte als de juiste of zuivere werd beschouwd. Als daar sociale druk bij komt kijken om die visie te aanvaarden, krijg je vroeg of laat ook een schaduwzijde.
Ik wil daarmee Cofnas niet legitimeren. Ik vind zijn opvattingen verschrikkelijk en ben het er totaal mee oneens. Ik vind de hele situatie ook heel pijnlijk voor de UGent, waar veel mensen geweldig werk leveren.
Wat ik vooral jammer vind, is dat een belangrijkere vraag daardoor op de achtergrond dreigt te raken: hoe zorg je ervoor dat mensen uit minderheidsgroepen en mensen die in moeilijkere omstandigheden opgroeien hun talenten ten volle kunnen ontwikkelen? Daar zou uiteindelijk de hele samenleving baat bij hebben. Door de polarisering raakt die vraag ondergesneeuwd. Mensen wijzen naar elkaar en denken: als we de ander uitschakelen, is het probleem opgelost. Volgens mij bereik je meer met vertrouwen, generositeit en samenwerking. Door kinderen van jongs af aan kansen en zelfvertrouwen te geven. Dat zijn langdurige processen. Ze vragen tijd en investeringen. De belangrijkste vraag is dus voor mij: hoe brengen we het beste in mensen naar boven en zorgen we ervoor dat iedereen aan een universiteit kan excelleren?

Op het Vurig Verbonden Lichtfestival willen we vrijdenkers samenbrengen. Hoe belangrijk vind je zulke ontmoetingen?

Ik vind dat heel belangrijk en altijd inspirerend. Het is al vaak gebeurd dat ik van zo’n evenement terugkom en denk: daar moet ik over schrijven. Of: ah ja, daar moet ik nog eens over nadenken. Samen handelen is uiteindelijk ook een vorm van politiek, zoals Hannah Arendt stelt. Niet in de zin van partijpolitiek, maar gewoon: mensen die samenkomen en ideeën uitwisselen. We zijn sociale wezens. Je hoort andere stemmen en merkt dat je niet alleen bent. Ik vind dat geweldig plezant en inspirerend. Je voelt ook een bepaalde energie. Er is iets aan het fysiek ontmoeten van mensen dat apart en onvervangbaar is.

In je nieuwe boek Neem de tijd onderzoek je hoe onze kijk op tijd en vooruitgang veranderd is. Wat wilde je daarin blootleggen?

Tinneke Beeckman: “Ik heb altijd vertrouwen in wat mensen samen kunnen doen.”

Het is een boek over onze tijdsgeest en het gevoel dat er niet echt een toekomst meer is. Dat de toekomst korter is geworden en niet meer vanzelfsprekend lijkt. We leven van de ene urgentie naar de andere: eerst was er COVID, dan de energiecrisis, nu zijn er bosbranden en droogte. Ook het idee dat we samen kunnen beslissen hoe onze samenleving er in de toekomst moet uitzien, is minder vanzelfsprekend geworden. Ik contrasteer dat met de jaren 90, toen het idee leefde van het einde van de geschiedenis: de liberale democratie zou zich verder verspreiden en de toekomst leek min of meer vanzelfsprekend. De toekomst zou vooral meer van hetzelfde brengen, maar dan beter. In het boek probeer ik te begrijpen hoe onze ervaring van tijd sindsdien veranderd is. Hoe zijn we van dat toekomstbeeld via technocratie en crisissen in een permanente urgentie terechtgekomen? Wat is de schaduwzijde van vooruitgang? En wat zien we niet in onze eigen omgang met tijd, waardoor we het gevoel krijgen dat we geen toekomst meer hebben?
Dat is ook belangrijk voor de democratie. In een democratie is de toekomst een cruciale tijdsdimensie. We moeten het gevoel hebben dat die toekomst open is, dat er alternatieven zijn en dat we er samen vorm aan kunnen geven. Ze moet ook corrigeerbaar zijn: als we het niet eens zijn met een bepaald beleid, moeten we voor een ander beleid kunnen kiezen. En democratie is intergenerationeel: we denken ook aan toekomstige generaties. Een politieke orde structureert dus niet alleen vrijheid en macht, maar ook onze verhouding tot het verleden, het heden en de toekomst. Die vaak onzichtbare dimensie van tijd probeer ik in het boek zichtbaar te maken.

Hoe kijk je na het schrijven van dat boek zelf naar de toekomst? Heeft die oefening je hoopvoller gemaakt?

Ja, zeker. Er hangen natuurlijk een aantal onweerswolken in de lucht. Maar tijden veranderen, en het onverwachte en het nieuwe blijven altijd mogelijk. In de jaren 90 is er volgens mij een soort depolitisering ontstaan: hou je bezig met je private leven en je eigen belangen, en laat de rest maar aan anderen over. Ik denk dat dat opnieuw moet veranderen. Ik voel ook een verlangen naar meer politisering, maar dan op een positieve manier. Ik heb altijd vertrouwen in wat mensen samen kunnen doen.

Neem de tijd, over de politieke verbeelding van de toekomst verschijnt op 2 november 2026 bij uitgeverij Boom.

 

Laat je inspireren op het Vurig Verbonden Lichtfestival, met gesprekken tussen Tinneke Beeckman, Christophe Busch, Wim Distelmans en Hind Eljadid.