Interview
Joke Goovaerts en Dimitri De Smet
2 september 2026
Simon Truwant (39) is al tien jaar Brusselaar, maar zijn roots liggen in Brugge. Hij is filosoof, studeerde en doctoreerde aan de KU Leuven en ontwikkelde zich tot cultuurfilosoof. We spreken met hem af in het huisvandeMens Brussel, op het Sainctelettesquare. Buiten bepalen werven en bouwwerken het straatbeeld, maar vanop het dak krijgen we een indrukwekkend panoramisch zicht over de stad. Een passende plek voor een gesprek over hoe we met elkaar omgaan, botsen en naar waarheid zoeken.
Tijdens zijn academische jaren verdiepte Truwant zich steeds meer in het publieke debat, aanvankelijk vanuit het opkomende idee van post-truth, dat tijdens de verkiezing van Donald Trump en de Brexit plots overal opdook. Post-truth beschrijft een maatschappelijk klimaat waarin emoties en overtuigingen soms meer invloed hebben op de publieke opinie dan objectief vaststelbare feiten. Wat betekent waarheid nog in maatschappelijke discussies? En waarom voelt het publieke debat vandaag zo hard en onaangenaam aan?
In zijn boek De waarheid heeft vier gezichten pleit Simon Truwant voor een manier van debatteren waarin opnieuw ruimte is voor nuance en nieuwsgierigheid, maar ook voor emoties én feiten.
Tijdens ONBEGRENSD, het gratis stadsfestival van huisvandeMens Brussel, met livemuziek, performances, inspirerende gesprekken en ontmoetingen op het Muntplein in Brussel op 20 september, geeft hij de workshop ‘(Her)ken je stem’. Daarin onderzoekt hij waarom feiten alleen geen debat winnen, waarom boze meningen niet zomaar van tafel geveegd mogen worden en hoe we als burgers het publieke gesprek opnieuw kunnen herstellen.
Je schreef het boek De waarheid heeft vier gezichten. Voelde je een noodzaak om dat boek te maken?
Ik had sterk de indruk dat heel wat maatschappelijke discussies, of het nu in de reguliere media is, op sociale media, op café of thuis aan de eettafel, steeds in dezelfde cirkels blijven draaien. Sommige gesprekken vallen gewoon stil omdat dezelfde argumenten telkens opnieuw op elkaar botsen. Andere discussies exploderen voortdurend. Dat is wat we polarisatie noemen. Of het nu gaat over klimaat, transgender personen of migratie: telkens zie je dezelfde tegenstellingen terugkeren, dezelfde botsingen en weinig vooruitgang. Ik vroeg me af: wat is de onderliggende dynamiek die maakt dat we niet verder geraken? Dat was de aanleiding om het boek te schrijven.
En terwijl ik eraan werkte, gebeurde er bijna wekelijks iets in het nieuws dat perfect aansloot bij mijn onderzoek. Facebook dat de samenwerking met factcheckers stopzet. Bart De Wever die zegt dat het debat over Gaza te veel in morele termen wordt gevoerd. Steeds opnieuw waren er voorbeelden die uitnodigden om na te denken over hoe het publieke debat werkt en waar het vastloopt.
Je onderscheidt vier soorten gesprekken die door elkaar lopen. In je boek geef je het voorbeeld van transgender personen.
Zeker. Je kunt op minstens vier interessante en waarachtige manieren over transgender personen en hun positie in de samenleving praten.
De eerste is de feitelijke discussie. Die kan bijvoorbeeld gaan over de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat is vooral een discussie voor wetenschappers, over zaken als chromosomen, hormonen en geslachtskenmerken.
Daarnaast is er de ideologische discussie. Die gaat over wereldbeelden: wat verstaan we onder mannelijkheid en vrouw-zijn? En welke plaats geven we daaraan in de samenleving? Deze discussie gaat over gender en de veronderstellingen en verwachtingen die mensen daaraan koppelen.
Ten derde is er de pragmatische discussie. Bijvoorbeeld: hoe spreken we mensen aan? Gebruiken we alleen ‘hij’ en ‘zij’, of ook ‘hen’ en ‘hun’? Hoe organiseren we publieke toiletten? Of inclusieve sportactiviteiten? Waarbij de vraag centraal staat: wat werkt voor zoveel mogelijk mensen?
En ten slotte is er het persoonlijke of existentiële gesprek. Hoe voelt het om transgender te zijn? Hoe is het om je niet thuis te voelen in je lichaam of in de samenleving? Dat zijn persoonlijke ervaringen waarover je met elkaar kunt praten.

Het zijn vier verschillende gesprekken die allemaal belangrijk zijn. De feitelijke discussie vooral tussen wetenschappers, de ideologische discussie kan iedereen voeren, de pragmatische discussie afhankelijk van je betrokkenheid en de existentiële discussie van persoon tot persoon.
Die vier discussies lopen voortdurend door elkaar?
Neem opnieuw de discussie over toiletten in openbare ruimtes. Iemand stelt iets pragmatisch voor, een ander komt met argumenten over chromosomen, een derde met een wereldbeeld over wat mannen en vrouwen zouden moeten zijn en een vierde met een persoonlijke ervaring.
Het gevolg is dat het debat tegelijk over vier verschillende dingen gaat. Feitelijke argumenten zijn iets anders dan ideologische, pragmatische of persoonlijke argumenten. Ze hebben allemaal waarde, maar een andere soort waarde. We zouden soms willen dat we met feiten de hele discussie kunnen afbakenen, maar zo eenvoudig is het niet.
Wat is dan de oplossing?
Dat we ons daarvan bewust worden en proberen de verschillende discussies meer van elkaar af te bakenen. Als iemand een persoonlijke ervaring deelt over hoe het is om transgender te zijn, is het niet constructief om daar meteen met een ideologie of feiten tegenin te gaan. Je kunt ook gewoon een persoonlijk en empathisch gesprek voeren. Omgekeerd geldt: als het over feiten gaat, probeer dan binnen die feitelijke discussie te blijven.
Daarvoor moet je jezelf afvragen: over welk soort discussie kan ik praten en welke discussie wil ik voeren? Ik kan bijvoorbeeld geen feitelijke discussie voeren over biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Dus doe ik dat niet. Ik kan me informeren en vragen: ‘Hoe zit dat volgens u?’, maar ik ga daar niet zomaar zelf over discussiëren. En je kunt jezelf ook afvragen: wil ik met deze persoon een ideologische discussie voeren? Of ga ik vandaag niet doen? Ook dat is een legitieme keuze. Die afwegingen mogen we volgens mij wat vaker maken.
In onze samenleving lijkt elke mening vandaag een plek te krijgen in het publieke debat. Tegelijkertijd lijkt dat debat steeds minder gezond. Hoe kijkt u daartegenaan?
Ik probeer daar genuanceerd naar te kijken. Het publieke debat viert hoogtij én is een compleet zootje. We mogen niet vergeten dat veel meer mensen vandaag aan het publieke debat kunnen deelnemen dan enkele decennia geleden. Dankzij die vervloekte sociale media. Daar horen we vooral negatieve dingen over, en die kritiek is vaak terecht, maar sociale media hebben het publieke debat tegelijk ook gedemocratiseerd. Dat is op zich een goede zaak.
Er is meer nieuws en meer informatie beschikbaar dan ooit, en meer mensen volgen verschillende nieuwsbronnen. Tegelijk maakt die overvloed het debat ook onoverzichtelijk. Mensen verliezen hun weg, mijden nieuws, terwijl desinformatie, polarisatie en onrespectvol gedrag het publieke debat verder onder druk zetten.
En hoe verhouden vrije meningsuiting en publiek debat zich volgens u tot elkaar?
Ik zie eigenlijk weinig problemen met vrije meningsuiting. Je mag vandaag overduidelijk heel veel zeggen. Er zijn natuurlijk mensen die zich bewust inhouden, maar dat vind ik op zich niet erg. Ik hoop vooral dat iedereen plekken vindt waar hij of zij zich wél kan uiten. Maar dat je er soms ook voor kiest om iets níét te zeggen, vind ik prima.
Ik zie een groter probleem in een gebrek aan verantwoordelijkheid dan in een gebrek aan vrijheid. De vraag is niet alleen: mag ik dit zeggen? Maar ook: wanneer is het goed en verantwoordelijk om het te zeggen? Helpt het om de boel nog wat verder op te poken? Helpt het om alles wat je denkt ook daadwerkelijk te zeggen? Daar stel ik me veel meer vragen bij.
Wat is voor u een definitie van het publieke debat?
Ik hanteer een ruime definitie. Voor mij is elke gelegenheid waarbij twee of meer mensen praten over een actueel thema een onderdeel van het publieke debat. Het gaat dus niet alleen over media, sociale media of politiek.
Ook wanneer je op café met een onbekende praat over Trump, Gaza, de begroting of het klimaat, neem je deel aan het publieke debat. Hetzelfde geldt voor een gesprek met je ouders, kotgenoten, familie of vrienden aan de eettafel over een actueel onderwerp.
Dat staat volgens mij niet los van wat we het ‘officiële’ publieke debat noemen. Het gaat vaak over dezelfde onderwerpen en dezelfde argumenten. Ook debatavonden, betogingen en slogans zijn vormen van publiek debat. Het kan dus gaan om een boodschap, een discussie of een gewoon gesprek. Voor mij valt dat allemaal onder het publieke debat.
Is een goed gevoerd publiek debat essentieel voor een gezonde democratie?
Ik denk dat een goed publiek debat een grote meerwaarde vormt. Ik weet niet of er een één-op-één relatie is tussen de problemen in ons publieke debat en de problemen die onze democratie vandaag kent. Het feit dat ons publieke debat soms in het honderd loopt, betekent niet automatisch dat ook onze democratische instellingen slecht functioneren.
Maar hoe meer mensen op een constructieve, respectvolle en vooral aangename manier met elkaar kunnen praten over belangrijke actuele thema’s, hoe meer dat onze samenleving ten goede komt.
Sommige debatten lijken muurvast te zitten. Ik denk bijvoorbeeld aan het abortusdebat. Er is wetenschappelijk onderzoek gevoerd en er lijkt een meerderheid te zijn voor een uitbreiding van de wetgeving. Hoe komen we daar nog uit?
Er was een commissie van wetenschappers en experten die een uitgebreid advies heeft geformuleerd. Ze hebben niet simpelweg gezegd: ‘Dit moet je doen’, maar verschillende mogelijkheden en aanbevelingen naar voren geschoven. Uiteindelijk heeft een politica een andere keuze gemaakt en die verdedigd met het argument: dit zijn wetenschappelijke adviezen, maar als verkozen politicus heb ik het recht om zelf een keuze te maken.

Daar kwam veel kritiek op, maar dat principe klopt wel. Politici moeten zich laten informeren en adviseren door wetenschappelijke expertise, maar ze zijn zelf geen wetenschappers. Ze hoeven hun beleid dus niet puur op feiten te baseren. Ze vertegenwoordigen ook een bepaald wereldbeeld en bepaalde waarden en normen. En waarden en normen volgen nooit rechtstreeks uit feiten.
Op basis van dezelfde feiten kunnen politici dus nog altijd verschillende keuzes maken. Dat is op zich normaal en zelfs wenselijk.
Je kunt wel kritiek hebben als wetenschappelijk onderzoek vervolgens volledig wordt genegeerd. Als een politicus niet eens een keuze maakt uit de verschillende wetenschappelijk onderbouwde opties, maar met iets totaal anders komt omdat dat politiek beter uitkomt, dan kun je je afvragen: was dat wetenschappelijk onderzoek dan alleen maar voor de bühne?
Er moet dus een balans zijn. Er hoeft geen één-op-één vertaling te zijn van wetenschap naar beleid, maar het is evenmin wenselijk dat een ideologische waarheid de feitelijke waarheid volledig aan de kant schuift.
Er zijn ook debatten waarvan we dachten dat ze afgesloten waren. Vrouwenrechten bijvoorbeeld: lange tijd leken die verworven, maar dat debat wordt opnieuw geopend?
We zien dat eigenlijk op meerdere vlakken. We dachten bijvoorbeeld ook dat de democratische rechtsstaat verworven was. Toch zien we de voorbije decennia steeds meer mensen die dat openlijk betwisten en pleiten voor meer autoritarisme. Hetzelfde geldt voor het internationaal recht. In het Westen dachten we dat het idee dat het internationaal recht belangrijk is, min of meer verworven was, hoewel we het zelf ook al wel eens met de voeten traden. Maar ook dat uitgangspunt wordt vandaag opnieuw ter discussie gesteld.
Er zijn dus een aantal zaken waarvan we dachten: over dit fundamentele principe wordt het debat niet meer opnieuw gevoerd; enkel binnen dat kader kunnen nog allerlei discussies plaatsvinden. Maar nu worden ook die fundamenten opnieuw opengetrokken.
Dat is ook een onderdeel van wat ik pragmatische waarheid noem: het venster waarbinnen het debat plaatsvindt, verschuift. Er wordt voortdurend aan dat venster getrokken. Zowel van links als van rechts zijn er pogingen om het te verschuiven.
Ik heb de indruk dat vooral rechts daar de voorbije jaren in geslaagd is. Vanuit mensenrechtelijk perspectief vind ik dat zeer problematisch. Maar het is wellicht ook een onderdeel van de golfbeweging van het publieke debat.
De vraag is nu: is dit een tijdelijke tegenschok, waarna het venster weer terugschuift? Of zijn we echt getuige van een fundamentele terugbeweging?
Je geeft binnenkort een workshop over het publieke debat. Wat kunnen we verwachten?
Ik wil mensen vooral bewuster maken van de verschillende soorten argumenten en discussies. Ik leg bijvoorbeeld een uitspraak voor en vraag hen: is dit volgens jou een feitelijke, ideologische, pragmatische of existentiële uitspraak?
Bij veel uitspraken denk je meteen dat het om één soort waarheid gaat, terwijl er verschillende interpretaties mogelijk zijn. Zo wil ik laten zien hoe twee, vier of tien mensen in een gesprek heel snel op een ander spoor kunnen zitten, zonder dat ze beseffen dat ze eigenlijk een ander soort gesprek aan het voeren zijn.
Een voorbeeld is de vraag: ‘Moeten we bang zijn voor een oorlog met Rusland?’
Je kunt dat als een feitelijke vraag beschouwen: hoe waarschijnlijk is het dat die oorlog er komt? Maar je kunt de vraag ook ideologisch benaderen: zou het beangstigend zijn als Rusland zijn invloedssfeer uitbreidt? Pragmatisch kan de vraag betekenen: is angst eigenlijk een goede raadgever? En existentieel: ‘Ik ben bang. Is dat een gevoel dat jij ook hebt?’
Het zijn vier verschillende interpretaties van dezelfde vraag en dus de aanzet tot vier verschillende discussies. Alle vier kunnen ze interessant zijn. Maar je wil wel liefst op hetzelfde spoor zitten. Dat soort oefeningen wil ik in die workshop doen: mensen bewust maken van welk soort gesprek ze voeren, welk soort argument ze gebruiken en of hun gesprekspartner eigenlijk hetzelfde gesprek voert.
Over welke thema’s debatteer je zelf het liefst? Wat houdt je persoonlijk bezig?
Ik ben vooral bezig met en geboeid door identitaire thema’s: genderrollen, racisme, inclusieve communicatie, welzijn van jongeren. Ik heb me een tijd intensief beziggehouden met de opvangcrisis in Brussel. Dat was ook een publiek debat waarin ik actief betrokken was. Ik spreek bewust over een opvangcrisis, en niet over een migratiecrisis of zelfs een asielcrisis. Terminologie is belangrijk: met de woorden die je kiest, bepaal je voor een deel al hoe een discussie wordt gevoerd.
Ook Gaza is een onderwerp waarover ik me regelmatig heb uitgesproken. Daar vind ik dat we inmiddels genoeg hebben gediscussieerd over geschiedenis, cijfers en feiten. Voor mij gaat het op een bepaald moment eenduidig om een morele discussie: waar liggen de grenzen en wat aanvaarden we als samenleving niet?
Op zondag 20 september ben je welkom op het Muntplein voor ONBEGRENSD, een gratis stadsfestival met livemuziek, performances, inspirerende gesprekken en ontmoetingen, waar we mensen samenbrengen rond vrijheid, dialoog en mensenrechten.
Meer informatie over ONBEGRENSD en de workshop door Simon Truwant vind je hier.

Wij gebruiken cookies om onze website goed te laten functioneren en om inzicht te krijgen in het gebruik van de site. Door op "Accepteren" te klikken geef je toestemming voor het gebruik van alle cookies. Je kunt je voorkeuren op elk moment aanpassen.