Conflict & verbinding

Vrede in tijden van egopolitiek: behoefte aan verbindende verhalen

Bert Goossens

7 januari 2026

Oorlog en machtsspel lopen als een rode draad door de menselijke geschiedenis. Van een handgemeen in de crèche over wie met de Bumba-auto mag spelen tot een allesvernietigende wereldoorlog, conflict lijkt ons ingebakken. Om onze driften te beteugelen, bedachten we dialoog, rechtspraak en democratie. Maar blijven die overeind in tijden van egopolitiek?

Ontwikkeling mogelijk maken

Conflict zit diep in de natuur. In de dierenwereld draait overleven om botsingen over territorium, voedsel en partners. Bij de mens is dat niet fundamenteel anders, alleen veel complexer. We strijden niet alleen om te overleven, maar ook om ideeën, invloed en identiteit. Of vanuit een gezinsperspectief: voor het grootste stuk taart of het tv-scherm.

Heraclitus zag strijd niet louter als vernietiging, maar ook als oerkracht die verandering en ontwikkeling mogelijk maakt. Op de foto: La liberté guidant le peuple, schilderij van Eugène Delacroix uit 1830

Toch hoeft conflict niet per definitie negatief te zijn. De Griekse filosoof Heraclitus zag strijd (polemos) als de ‘vader van alle dingen’: een oerkracht die verandering en ontwikkeling mogelijk maakt. Zonder botsing geen beweging, zonder spanning geen harmonie. Strijd is bij hem niet louter vernietiging, maar ook schepping. Zoals een boog spanning nodig heeft om een pijl te kunnen schieten, zo heeft vooruitgang wrijving nodig.

Ook vandaag is conflict niet alleen destructief. Zonder wrijving geen democratie en zonder botsende ideeën geen wetenschap. De emancipatie van vrouwen, de burgerrechtenbeweging of de ontkerkelijking waren pas mogelijk doordat mensen de gevestigde orde uitdaagden. Het is een illusie te denken dat dat proces alleen rationeel verloopt. Ratio en emotie zijn onafscheidelijk: in de crèche, op de werkvloer, aan de universiteit én in de wereldpolitiek. Een goed conflict vraagt om evenwicht, tussen luisteren en spreken, tussen standvastigheid en begrip.

 

Een vredevolle samenleving

Niet elke denker keek zo hoopvol naar conflict. De Britse filosoof Thomas Hobbes beschreef de natuurtoestand van de mens als een oorlog van allen tegen allen. Onze drang naar macht en zelfbehoud leidt volgens hem tot chaos, tenzij een sterk gezag de orde bewaakt – zoals hij uiteenzet in zijn bekende werk Leviathan. Waar Heraclitus strijd als motor van groei beschouwde, zag Hobbes die als bedreiging. Daarom is er behoefte aan autoriteit en strikte afspraken. Zijn denken vormde mee de basis van de moderne staat: een sociaal contract waarin individuen een deel van hun vrijheid afstaan in ruil voor veiligheid en stabiliteit.

Volgens Thomas Hobbes leidt de menselijke drang naar macht en zelfbehoud tot chaos, tenzij een sterk gezag de orde bewaakt. Op de foto: Leviathan, boek van Thomas Hobbes uit 1651 © The Trustees of the British Museum / CC BY-NC-SA 4.0

Andere denkers gaven dat contract een positievere invulling. John Locke zag het als een fundamentele bescherming van onze natuurlijke rechten. Jean-Jacques Rousseau begreep het als een vorm van zelfbestuur: door samen wetten te maken, gehoorzaam je alleen aan jezelf.

Tegenover conflict staat samenwerking. Binnen een samenleving kan vrede alleen bestaan als burgers zich gebonden weten door gedeelde regels, waarden en wederzijds vertrouwen. De staat wordt dan meer dan een ordehandhaver: hij belichaamt de gemeenschappelijke wil om vreedzaam samen te leven. Vrede veronderstelt dus niet alleen de afwezigheid van geweld, maar ook het bestaan van instellingen die rechtvaardigheid garanderen en machtsmisbruik inperken.

In die zin is de vredevolle samenleving een voortdurende oefening in evenwicht: tussen vrijheid en orde, tussen individu en gemeenschap, tussen eigenbelang en algemeen belang. Maar de staat kan ook als agressor optreden. Hij kan mensen verbinden in een strijd tegen minderheden of tegen een andere mogendheid. Het streven naar verbondenheid kan dus ook omslaan in eng nationalisme, waarbij de ander wordt ontmenselijkt.

 

Naar de eeuwige vrede?

In 1795 schreef de Duitse filosoof Immanuel Kant zijn kleine, maar invloedrijke essay Zum ewigen Frieden. Daarin formuleerde hij drie voorwaarden voor duurzame vrede. Staten moesten republikeins georganiseerd zijn, met burgerinspraak, zodat oorlog niet lichtzinnig wordt goedgekeurd. Ze moesten zich verbinden in een federatie van vrije staten. En ze moesten een kosmopolitisch recht ontwikkelen dat elk individu als wereldburger erkent.

Kant zag vrede niet als de afwezigheid van oorlog, maar als een actief systeem van recht en samenwerking. Een revolutionaire gedachte die de basis legde voor internationale samenwerking. De geschiedenis lijkt die hoop soms te bevestigen, soms te ontkrachten. De mensheid schrijdt zelden rechtlijnig vooruit: ze beweegt in cycli van hoop en tegenslag, van groei en terugval.

De Verlichting, met denkers als Locke, Rousseau en Kant, legde de basis voor democratie, vrijheid en sociale rechten. Na de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog, inmiddels tachtig jaar geleden, kwamen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Verenigde Naties tot stand. Die structuren moesten machtszucht inperken en samenwerking stimuleren. Tijdens de Koude Oorlog zorgde de angst voor wederzijdse vernietiging voor een duister soort stabiliteit. En toen in 1989 de Berlijnse Muur viel, leek het even alsof Kants droom van eeuwige vrede eindelijk werkelijkheid werd.

 

Egopolitiek in geopolitieke tijden

De populaire fantasyreeks Game of Thrones van George R.R. Martin draait in wezen rond één vraag: wie zal over de Zeven Koninkrijken van Westeros heersen? Achter de magie en de draken schuilt een spel van intriges, wankele allianties en verraad. Idealen worden zelden beloond, macht des te meer. Precies dat maakt het verhaal zo herkenbaar. Hoewel het zich in een fictieve wereld afspeelt, houdt het ons een scherpe spiegel voor. Ook vandaag lijkt egopolitiek de bovenhand op het algemene belang te nemen.

Vandaag leven we in een multipolaire wereld waarin geopolitieke machtsblokken hun belangen scherp bewaken. Op de foto: minister-president Narendra Modi, president Vladimir Poetin en president Xi Jinping © Photo Agency / Shutterstock.com

Net als in Game of Thrones doen de persoonlijkheden en onderlinge relaties binnen de politieke klasse ertoe. Leiders als Trump, Poetin, Erdoğan, Xi en Netanyahu – respectievelijk president van de Verenigde Staten, Rusland, Turkije, China en premier van Israël – klampen zich vast aan de macht om hun reputatie en nalatenschap te bewaken. Hun persoonlijke glorie wordt vereenzelvigd met die van hun natie. In essentie verschilt dat niet veel van de absolute vorsten uit het ancien régime. Hun karakter en ijdelheid bepalen mee de wereldorde. Precies daar ligt een gevaarlijk democratisch deficit.

Ook dichter bij huis zien we diezelfde evolutie, nauw verbonden met de vertwittering van de politiek. In plaats van doordachte standpunten of genuanceerde debatten draait het vaker om snelle meningen en slogans. Dialoog en overleg moeten wijken voor het beeld van de ‘doortastende beslissing’. Het maatschappelijke middenveld verliest daarbij zijn verbindingskracht, terwijl polarisering de toon zet.

Egopolitiek lijkt de klassieke geopolitieke wetten die uitgaan van eigenbelang nog te versterken. We leven vandaag in een multipolaire wereld waarin machtsblokken als de Verenigde Staten, China, Rusland, Europa en regionale grootmachten zoals India, Brazilië en Turkije hun belangen scherp bewaken. Realpolitik is de voertaal: pragmatische deals, tijdelijke bondgenootschappen en soms brute machtspolitiek. Internationale instellingen als de Verenigde Naties of de Wereldhandelsorganisatie lijken steeds minder vat te hebben op grootmachten die hun nationale soevereiniteit boven alles plaatsen. Handel wordt steeds minder begrepen als een middel om elkaar te versterken en banden te smeden, maar wordt ingezet als wapen.

 

Een weerbare democratie

Is er nog hoop voor Kants universeel humanisme? Op het Europese continent verliest het idee van een gedeeld project, gebouwd op solidariteit en mensenrechten, aan kracht. Steeds vaker moeten verworven rechten wijken voor veiligheid of economische belangen. Wat enige tijd geleden als extremistisch gedachtegoed werd gezien, maakt nu deel uit van het betoog van het politieke centrum.

Het is belangrijk voor ogen te houden dat wereldpolitiek niet alleen een strijd tussen ego’s en belangen is, maar ook tussen waarden: humanisme en democratie staan lijnrecht tegenover extremisme en een autocratisch samenlevingsmodel

Nationale belangen primeren, budgetten voor ontwikkelingssamenwerking krimpen, internationale verdragen worden openlijk in vraag gesteld. De Europese droom dat handel en zachte diplomatie vrede garanderen, spatte uiteen met de inval van Rusland in Oekraïne. Pacifisme is een randverschijnsel geworden en defensiebudgetten stijgen met enkele procentpunten, terwijl er wordt bespaard op de sociale zekerheid.

Grootmachten als Rusland en China beschouwen mensenrechten, die een basis voor vreedzaam samenleven vormen, al langer als westerse constructies die met hun soevereiniteit botsen. Ook de democratie in de Verenigde Staten wankelt. President Trump en zijn gevolg hebben aangetoond hoe snel onfeitelijke woorden kunnen uitgroeien tot daden die het fundament van de rechtsstaat ondermijnen. Mensenrechten moeten plaatsmaken voor ‘deals’.

Dat terwijl de mondiale uitdagingen van vandaag zoals klimaat, ongelijkheid en artificiële intelligentie vragen om Kants kosmopolitische blik. Wie vrede wil bewaren en vooruitgang wil bekomen, moet niet terugplooien achter grenzen, maar opnieuw durven denken in termen van mensheid.

Het is belangrijk voor ogen te houden dat de wereldpolitiek niet alleen een strijd tussen ego’s en belangen is, maar ook tussen waarden. Humanisme en democratie staan lijnrecht tegenover extremisme en een autocratisch samenlevingsmodel. Dat humanisme moet strijdbaar zijn: niet met geweld, maar wel met overtuiging, protest en actie.

Iedereen draagt daarin verantwoordelijkheid. De Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt wees al op de ‘banaliteit van het kwaad’: ontsporingen ontstaan niet alleen door fanatieke leiders, maar ook door volgzaamheid en gelatenheid van gewone mensen. Vandaag zien we die banaliteit in de normalisering van online haat, desinformatie en politieke apathie. Het kwaad gedijt bij onverschilligheid. Een democratie die alleen toekijkt, capituleert langzaam van binnenuit.

 

Behoefte aan verbinding

Duurzame vrede ontstaat niet door vertrouwen in autoritaire leiders te stellen, maar door de moed om aan rechtsstatelijke principes vast te houden en kordaat in te grijpen wanneer die bedreigd worden.

Progressieve stemmen kunnen op dat vlak nog nauwer samenwerken. Te vaak lijken progressieve politieke partijen vooral elkaar te bevechten voor hetzelfde kiezersprofiel en zo elkaar te verzwakken, in plaats van samen een geloofwaardig alternatief voor een inmiddels dominant conservatief gedachtegoed te vormen.

Zoals filosofe Tinneke Beeckman opmerkt, hebben we in onze individualistische democratieën behoefte aan nieuwe verbindende verhalen: positieve narratieven die vrijheid opnieuw aan verantwoordelijkheid en engagement koppelen. Vrede vraagt niet alleen politieke wil, maar ook morele verbeelding: het vermogen om voorbij het eigenbelang te denken en te geloven in een verhaal van redelijkheid en menselijkheid. In dat streven is het vrijzinnig humanisme een gedeelde basis, een waardenkader dat burgers en organisaties samenbrengt.

Zolang er mensen zijn, zal er conflict zijn. Maar zolang er rede is, kan er ook vrede zijn.

Foto bovenaan © Photo Agency / Shutterstock.com

Meer artikels over het thema ‘conflict & verbinding’ lezen? Dat kan hier.