Conflict & verbinding
Dietlinde Wouters
21 januari 2026
Hoe ga je als land om met je eigen gewelddadige verleden zoals een burgeroorlog, een dictatuur of de onderdrukking van een bevolkingsgroep? Vaak wordt er voor de oprichting van een waarheidscommissie gekozen. Zo’n door de overheid of het parlement ingestelde commissie doet, vooral in een periode van transitie, onderzoek naar schendingen van mensenrechten uit het verleden en brengt daarover een publiek rapport uit. Wat zijn waarheidscommissies precies en hoe worden ze ingezet?
Wat zijn waarheidscommissies?
De eerste waarheidscommissies zoals die in Argentinië, Chili en Zuid-Afrika werden opgericht in de periode vlak nadat die landen uit een intern conflict kwamen. De commissies werden ingezet om in brede zin onderzoek naar dat conflict te doen.
De politieke overgangsfase waarin een land op zoek gaat naar een manier om met een recent gewelddadig verleden om te gaan, wordt in de vakliteratuur ook wel transitional justice genoemd. In die context zijn waarheidscommissies maar een van de vele mechanismen om met het verleden aan de slag te gaan en vallen ze onder de bredere noemer van speciale onderzoekseenheden.
Sinds de eerste waarheidscommissies in de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben er een vijftigtal commissies bestaan. Ook al worden die commissies in uiteenlopende contexten opgericht en zijn ze heel verschillend, enkele belangrijke eigenschappen gelden voor hen allemaal.
Zo worden ze opgericht door de staat, maar is het tegelijkertijd heel belangrijk dat zij hun werk op een objectieve manier en dus onafhankelijk van die staat kunnen uitvoeren. Tijdens hun onderzoek ligt de focus eerder op de slachtoffers dan op de daders. De bedoeling is om slachtoffers als zodanig te erkennen en om nabestaanden correcte informatie te geven in de hoop dat dat helend kan werken.
De commissieleden overstijgen in hun onderzoek het niveau van losstaande feiten en individuele casussen, en gaan in brede zin op zoek naar oorzaken en patronen van het geweld. Ze formuleren daarnaast ook aanbevelingen, bijvoorbeeld over hoe men in de toekomst aan gerechtigheid kan werken of (nabestaanden van) slachtoffers voor het geleden leed kan compenseren. Tot slot zijn waarheidscommissies steeds van tijdelijke aard en is het beoogde eindresultaat de publicatie van een rapport.
Ook al hebben ze heel wat gemeenschappelijke eigenschappen, de sterkte van waarheidscommissies is ook net dat het een flexibel mechanisme is dat aan de (politieke) context kan worden aangepast. Laten we enkele specifieke toepassingen bekijken.
Justicia en verdad in Argentinië
De Argentijnse waarheidscommissie wordt vaak als een van de eerste echte waarheidscommissies gezien. De commissie werd opgericht vlak na de Argentijnse dictatuur (1976-1983), een gevaarlijke periode voor iedereen die kritisch naar het regime keek. Duizenden mensen werden van straat geplukt of uit hun huizen ontvoerd en belandden nadien in een clandestien netwerk van gevangenschap.
Pogingen van vrienden en familieleden om bij officiële instanties informatie te verkrijgen, waren tevergeefs. Waar zijn ze? Zijn ze nog in leven? Die vragen bleven onbeantwoord en vele slachtoffers werden nooit meer teruggezien. Ze zouden daarom de naam desaparecidos krijgen, want het enige dat men kon zeggen was dat ze verdwenen of vermist waren.

Bij de start van de nieuwe democratie vroeg het Argentijnse volk om verdad en justicia: waarheid en gerechtigheid. Het was echter snel duidelijk dat de militairen nog steeds veel macht hadden. Meteen met rechtszaken beginnen, zou daarom tot nieuwe politieke spanningen leiden. Een waarheidscommissie oprichten om de verdwijningen te onderzoeken, leek echter wel een eerste veilige stap. Rechtszaken zouden daarna wel volgen.
Het werk van de Argentijnse waarheidscommissie (Comisión Nacional sobre la Desaparición de Personas, of CONADEP) resulteerde in 1984 in een kort rapport, Nunca Más (Nooit meer opnieuw), bestemd voor het brede publiek. Daarnaast stelde de commissie ook een uitgebreider document samen, met confidentiële informatie bestemd voor het gerecht. Dat document kon worden gebruikt om gerechtelijke stappen te zetten.
Kort nadien, in 1985, werden de juntaleiders inderdaad veroordeeld, maar jammer genoeg bleef het daar ook bij. Politieke druk leidde in 1986 en 1987 tot amnestiewetten die ervoor zorgden dat er voorlopig geen verdere veroordelingen zouden plaatsvinden. Geen justicia dus. Dat was natuurlijk een grote teleurstelling voor de nabestaanden. Pas jaren later, in 2006, zou men de rechtszaken opnieuw opstarten.
Waarheid als vorm van gerechtigheid
Dat gerechtigheid in de vorm van rechtszaken in Argentinië zo moeilijk was geweest, inspireerde andere waarheidscommissies om het anders aan te pakken. Door ‘waarheid’ of informatie te bekomen en te verspreiden, hoopte men om via het werk van de commissie zelf al enige gerechtigheid te verkrijgen.
In Chili was het duidelijk dat de misdaden onder de dictatuur van Pinochet ook niet meteen berecht zouden worden. De Chileense waarheids- en verzoeningscommissie (1990-1991) besliste daarom om extra aandacht aan de overleden slachtoffers te schenken door hun casussen een voor een kort in het eindrapport te bespreken.

Om even te vergelijken, in Argentinië had men alleen een lijst met namen opgesteld en was men niet dieper op extra details ingegaan. Toch waren vele nabestaanden in Chili niet tevreden. Alleen de overleden slachtoffers werden besproken, terwijl vele anderen de politieke gevangenschap en folteringen wel overleefden en natuurlijk ook slachtoffer van het regime waren. Dat leidde in 2011, twintig jaar na de eerste commissie, tot een tweede waarheidscommissie met een nieuw rapport.
Andere commissies gingen met dezelfde bezorgdheid op een andere manier aan de slag. In El Salvador koos men er bijvoorbeeld heel bewust voor om de namen van de oorlogsmisdadigers van de burgeroorlog op te nemen in het commissierapport dat in 1993 werd gepubliceerd. Dat de daders bij naam werden genoemd, zag men als een minimale vorm van gerechtigheid in een context waar berechten weer moeilijk zou blijken te zijn.
De Zuid-Afrikaanse waarheids- en verzoeningscommissie werd in 1990 opgericht om onderzoek te doen naar de misdaden die tijdens het apartheidsregime plaatsvonden. Haar aanpak was vernieuwend. De commissie verzamelde namelijk niet alleen getuigenissen van slachtoffers, maar betrok ook daders bij het proces en stimuleerde hen om informatie te delen. Ze trof een speciale amnestieregeling waarbij daders onder bepaalde omstandigheden amnestie konden verkrijgen in ruil voor informatie of ‘waarheid’. Berechten was nadien natuurlijk niet meer mogelijk, maar het was wel een manier om de nabestaanden informatie te geven.
Als we naar die verschillende contexten kijken, merken we meteen dat gerechtigheid een belangrijk maar ook gevoelig thema is zo vlak na een conflict. Zijn gerechtelijke veroordelingen nodig om gerechtigheid te bekomen? Kan het delen van informatie over de slachtoffers of de namen van de daders eventueel ook voor (een minimale vorm van) gerechtigheid zorgen? Wie beslist welke stappen men zet? Zijn dat de politici? Hebben slachtoffers en hun nabestaanden iets te zeggen? Beslist de hele samenleving? En hoe dan? Vragen die in politieke overgangsperiodes opkomen, maar waar geen sluitend antwoord op bestaat …
Wat met verzoening?
Omdat gerechtigheid in haar juridische vorm vaak zo moeilijk ligt, wordt de nadruk in het postconflictdiscours ook vaker naar reconciliation of nationale verzoening verschoven. De Chileense waarheidscommissie was de eerste die het woord ‘verzoening’ in haar naam opnam (Comisión Nacional de Verdad y Reconciliación). Het was echter pas bij de Zuid-Afrikaanse Truth and Reconciliation Commission (TRC) dat het doel om te verzoenen, zowel op nationaal als op individueel niveau, zo duidelijk merkbaar was in het opzet en de werking van een commissie.

De Zuid-Afrikaanse commissie was namelijk de eerste die naast het afnemen van individuele verklaringen achter gesloten deuren ook openbare zittingen organiseerde. Die zittingen werden uitvoerig opgevolgd en besproken in de media en zelfs regelmatig live op de nationale radio en tv uitgezonden. De hele Zuid-Afrikaanse bevolking werd op die manier uitgenodigd om het proces mee te volgen, met de hoop dat het nationale verzoening in de hand zou werken.
Zoals reeds aangehaald, werden niet alleen slachtoffers, maar ook daders aan het woord gelaten. Het samenbrengen van slachtoffers en daders liep natuurlijk niet altijd vlekkeloos. De voorzitter van de commissie was aartsbisschop Desmond Tutu en de kritiek werd geformuleerd dat zijn katholieke invloeden te merken waren en dat hij vaak net iets te hard op vergiffenis en verzoening aanstuurde.
Het expliciete doel om te verzoenen roept wel wat vragen op. Verzoening is een vrijwillig proces en kan niet worden afgedwongen. Kan je dan wel aansturen op verzoening? De link tussen waarheid en verzoening bleek bovendien niet zo eenvoudig te zijn als vaak in de Zuid-Afrikaanse commissie werd voorgesteld.
Het is niet omdat een dader informatie deelt en berouw toont dat dat sowieso tot vergiffenis of verzoening leidt. Ook zijn verzoening op individueel niveau en op nationaal niveau heel verschillend van elkaar en brengen ze elkaar niet noodzakelijk voort. Wanneer bereik je trouwens verzoening op het niveau van een samenleving? Kan je dat meten?
Kijken naar een ver verleden
Aanvankelijk werden waarheidscommissies vlak na het interne conflict opgericht, maar de laatste decennia worden ze ook ingezet om terug te kijken op gebeurtenissen uit een verder verleden. Zo richtte men in Canada in 2008 een waarheids- en verzoeningscommissie op om onderzoek te doen naar de Canadese residential schools, waar inheemse kinderen vanaf de late negentiende eeuw naartoe werden gestuurd.
Die scholen, opgericht door de voormalige minister-president John Alexander Macdonald, hadden als doel ‘de indiaan uit het kind te halen’. De kinderen werden op jonge leeftijd bij hun ouders weggehaald en mochten amper contact met hen houden. Ze werden er vreselijk behandeld op zowel mentaal als fysiek vlak. Van de 150.000 kinderen zouden er zowat 7.000 hun verblijf op zo’n residentiële school niet overleven.

De commissie vatte een historisch onderzoek aan naar wat er op de scholen gebeurde, maar besteedde ook veel aandacht aan de impact die een verblijf op die scholen nadien nog op de leerlingen en hun families had. Het rapport ziet de organisatie van die residentiële scholen als een onderdeel van een culturele genocide. Het zette in op de vernietiging van de structuren en gewoonten die een groep in staat stellen als groep te blijven bestaan.
Gelijkaardige commissies werden later ook opgericht in Noorwegen (2018-2023), Finland (2021-2025) en Zweden (2022-2025), maar dan om onderzoek te doen naar het onrecht ten aanzien van de Samen, een Scandinavisch inheems volk, tijdens de periode van 1850 tot ver in de twintigste eeuw.
Wanneer waarheidscommissies zich buigen over een conflict of misdaden die verder in het verleden liggen, verloopt het onderzoek natuurlijk anders. Vele getuigen zijn gestorven of bewijsmateriaal is ondertussen verloren gegaan. Maar dat neemt niet weg dat onderzoek nog steeds mogelijk en nog altijd heel belangrijk is.
Het gaat niet over de details, maar om de erkenning van wat er gebeurde. Dat is van groot belang voor de rechtstreekse nabestaanden, maar ook in bredere zin voor de inheemse bevolkingsgroep waartoe zij behoren en voor de maatschappij en samenleving in het algemeen.
De geschiedenis toont dat waarheidscommissies een flexibel mechanisme zijn dat eenvoudig aan verschillende (politieke) contexten kan worden aangepast. De toepassingen van het mechanisme zijn in ieder geval zeker nog niet uitgeput.
Meer artikels over het thema ‘conflict & verbinding’ lezen? Dat kan hier.
Meer informatie over het internationaal humanisme vind je hier bij Humanists International.