Interview

"Als één levensbeschouwing een bevoorrechte plaats krijgt, loopt het fout"

Bert Goossens en Dimitri De Smet

17 juni 2026

Van punkicoon tot pleitbezorger van mentaal welzijn en een seculiere rechtsstaat: Guy Swinnen (66) heeft zelden zijn mening onder stoelen of banken gestoken. De zanger van The Scabs vertelt over zijn katholieke opvoeding, de punkmentaliteit, een depressie die zes jaar duurde en waarom wetenschap voor hem vandaag het belangrijkste richtsnoer is. “Voor mij draaide punk om alles in vraag stellen.”

We ontmoeten de bezieler van Belgische rockklassiekers als Hard Times, Matchbox Car en Don’t You Know in het huisvandeMens in Diest. Hij drinkt er zijn eerste koffie van de dag, ook al is hij al een tijdje wakker. Gisteren stond hij nog op het podium in De Panne, komend weekend trekt hij naar Rock Zottegem. Tussen herinneringen aan punkcafés, uitverkochte concertzalen en donkere periodes door ontvouwt zich het portret van een man die altijd zijn eigen keuzes is blijven maken: “Mijn moeder was heel katholiek en wij moesten verplicht naar de mis gaan. Toen ik later zelf kinderen kreeg, heb ik beslist om hen niet te laten dopen. Dat heeft wel voor discussie gezorgd binnen de familie. Maar ik wil dat mijn kinderen daar vrij in zijn. Als zij op hun achttiende beslissen dat ze zich willen laten dopen, dan is dat hun keuze, maar ik wilde hen niet al in een vakje stoppen. Dat was voor mij een principiële beslissing. Als kind stelde ik al veel vragen. Aan godsdienstleraars, tijdens de catechese… Die vragen botsten vaak op dogma’s. Mijn vader was daar heel eenvoudig in: “Dat is zo en je moet daar niet over nadenken.” Maar dat werkte niet voor mij.
Tegelijk kijk ik met veel warmte terug op mijn jeugd. Ik groeide op in de natuur. In de herfst gingen we soms in een akker naar de wolken liggen kijken. Als je je inbeeldde dat die stilstonden, leek het alsof de wereld onder je doorschoof. Dat soort van momenten vat voor mij een zorgeloze jeugd samen.”

Hoe ben je in de muziekwereld terechtgekomen?

Heel toevallig. Ik ben eigenlijk grafisch technicus van opleiding. Maar in het voorlaatste jaar van het atheneum ontdekte ik de punk. Ik herinner me vooral een magazine, dat ik had gekregen van de leraar Engels, met een foto van een optreden van de Sex Pistols. Het publiek stond vlakbij en Johnny Rotten hing half in dat publiek. Dat werkte voor mij enorm drempelverlagend. De eenvoud van de punk gaf mij het gevoel: dat durf ik ook. Ik kon op dat moment nog maar een paar akkoorden spelen toen drummer Frank Saenen bij mij langskwam. Met bevende handen heb ik mijn eerste en enige auditie ooit gedaan. De toenmalige zanger moest na twee maanden stoppen omdat hij eeltknobbels op zijn stembanden had. Toen zei Frank: “Gij zingt totdat we een echte zanger gevonden hebben.” Uiteindelijk ben ik gewoon blijven zingen. Ik heb toen gezegd: “Gasten, we gaan nu in het Engels zingen en we gaan punk spelen.” In januari 1978 hebben we ons eerste optreden gespeeld onder de naam The Scabs. The rest is history.

Wat trok je zo aan in de punkbeweging?

Voor mij draaide punk om alles in vraag stellen. Ik schreef toen veel liedjes over het moeten conformeren. Als ik ging solliciteren in de grafische wereld, moest ik een kostuum aandoen, maar dat weigerde ik pertinent. Mensen moesten mij nemen zoals ik was. De punkmentaliteit van vrijheid en onafhankelijkheid sprak me enorm aan. De DIY-houding was fantastisch: zelf optredens organiseren, zelf platen uitbrengen. Dat vond ik ontzettend boeiend. Er waren weinig vooroordelen, alles mocht en de muziek was heel divers. Daarom stoorde het mij ook toen punk al snel zelf een formule werd: als je niet de juiste leren vest en bottines aanhad, was je geen echte punker meer. Het was ook een tijd van grote werkloosheid. Daardoor groeide het nihilisme, maar tegelijk ontstond het gevoel dat we iets moesten doen. Oké, no future, maar je moet wel een alternatief hebben. Dat heeft mij gestuurd, ook muzikaal.

“Wetenschap biedt mij houvast omdat ze vertrekt van feiten. En als er nieuwe informatie opduikt waardoor bestaande inzichten moeten worden bijgesteld, dan staat de wetenschap daarvoor open. Dat geeft mij vaste grond onder de voeten.”

Wanneer beleefden The Scabs volgens jou hun sterkste periode?

Ik denk aan de tijd waarin Willy Willy als gitarist en Fons Sijmons als bassist bij de groep kwamen. We kregen toen het gevoel: als we hier hard genoeg voor werken, kunnen we er misschien onze kost mee verdienen. Dat begon echt in onze kop te spelen. We hielden marathonrepetities in Brussel en traden steeds vaker op. We waren vier mensen die aan hetzelfde zeel trokken en er voor de volle honderd procent voor gingen. En op een bepaald moment lukt het. Een jaar nadat Royalty in Exile uitkwam, kregen we telefoon van de platenfirma: “Jullie hebben een gouden plaat.” Dan worden je wildste dromen waar.

Wat lag aan de basis van de split van de groep in 1996?

Dat had verschillende oorzaken. Er was de frustratie dat het in het buitenland niet gelukt was. De muzikale samenwerking tussen Frank en mij was ook een beetje opgedroogd. Daarnaast speelde het druggebruik een rol. Waar dat vroeger eerder recreatief was, werd het voor sommige bandleden een vorm van vluchten. We moesten terug naar de parochiezalen in België, waar we al honderd keer gespeeld hadden. Dat voelde als een stap achteruit. Als je in de repetitieruimte naar het toilet gaat om te kijken of niemand een lijn heeft gesnoven, dan zit de paranoia diep. Dat slaat wonden die niet gemakkelijk genezen.

Na het einde van The Scabs belandde je in een zware depressie. Hoe kijk je vandaag op die periode terug?

The Scabs was mijn leven. Ik was altijd degene die bleef doorgaan, ik wist van geen ophouden. Maar als je op het podium staat en de bassist de tegels van het plafond staat te tellen, de drummer naar achter kijkt omdat hij jou niet wil zien, en de andere gitarist met zijn pedaaltjes staat te knoeien, dan denk je: dit is niet meer plezant. Toen heb ik gezegd: ik trek de stekker eruit. Dat heeft een veel grotere impact op mij gehad dan ik eerst dacht. Het was het begin van een neerwaartse spiraal. Mijn relatie liep op de klippen, ik verhuisde naar een kleine boswachterswoning in Bekkevoort, ver weg van iedereen, en begon overdag veel te blowen. Om den brode speelde ik in cafés. Uiteindelijk belandde ik in een depressie die zes jaar duurde. Dat was een heel zware periode, met veel piekeren en ook verkeerde beslissingen. Ik ben daarvoor in therapie geweest. Medicatie hielp mij niet echt. Die vlakte mij af. De dalen verdwenen, maar de toppen ook. Daarom ben ik er vrij snel mee gestopt.

Hoe geraakte je uit het dal?

Het keerpunt kwam toen ik op een bepaald moment zelfmoord overwoog. Ik was zelfs al aan het plannen hoe ik dat zou doen. Ik wilde het laten lijken op een ongeval, omdat ik niet wilde dat mijn drie kinderen verder moesten met het idee dat hun vader zelfmoord had gepleegd. Maar na een dag of veertien besefte ik: ik kan mijn kinderen dat niet aandoen. Toen heb ik gezegd: ik moet hieruit geraken. Ik vergelijk een depressie altijd met in een diepe put zitten. Er staat een lange ladder klaar, maar je hebt de moed of de energie niet om zelfs maar de eerste stap te zetten. Wat voor mij gewerkt heeft, was alles opdelen in kleine stukjes: minder blowen, op tijd gaan slapen, wandelen, afstand nemen van mensen die een slechte invloed hadden en de lat niet te hoog leggen. Stap voor stap ben ik eruit geraakt. Toen ben ik ook opnieuw gaan beseffen hoe graag ik voor een publiek sta. Eigen nummers brengen, mensen raken of plezier bezorgen: dat is mijn leven. Of dat nu voor twintig mensen is of voor duizend, dat maakt niet uit. Ik speel graag muziek, ik zie hoe mensen daarop reageren, en dat is uiteindelijk waar ik voor leef.

Ook het afscheid van Willy Willy in 2019 heeft een diepe indruk op je nagelaten?

Ja, dat sloeg in als een bom. Op een bepaald moment is Willy naar ons gekomen en heeft hij gezegd: “Kijk, ik ben naar de dokter geweest. Ik ben terminaal. Ik heb nog een jaar te gaan.” Dat komt binnen. Ik herinner me nog dat het vlak voor een optreden was. En dan moet je het podium op, terwijl je net hebt gehoord dat een vriend er binnen een jaar niet meer zal zijn. Ik vind dat Willy dat fantastisch gedragen heeft. Die eerste chemo hielp nog, maar van de tweede werd hij heel ziek. Toen heeft hij beslist om met de behandeling te stoppen om te kunnen doen wat hij graag doet. Dat typeerde hem.  Uiteindelijk heeft Willy tot het bittere einde gespeeld. Zijn laatste concert was op de MIA’s. Drie dagen later is hij overleden. Ik heb twee dagen aan zijn sterfbed gezeten. Dat was zwaar, maar voor mij was het belangrijk om te tonen dat je een echte vriend bent. Op zulke momenten moet je er gewoon zijn.

Je bent al jarenlang peter van Te Gek!?, een organisatie die mentaal welzijn bespreekbaar wil maken. Ondertussen is daar veel meer openheid over. Ben je daar ook fier op?

“Laat mensen toch gewoon zijn wie ze willen zijn. Als iedereen zijn overtuiging voor zichzelf zou houden en niet voortdurend regels aan andere mensen probeerde op te leggen, dan zouden we al heel ver staan”

Ik heb meegewerkt aan een plaat rond mentaal welzijn en ben daarna ook beginnen meespelen met de concerten en theatertours. Van in het begin heb ik daar ook heel openlijk over mijn eigen depressie gesproken. En ik voelde meteen dat dat voor veel mensen iets betekende. Na optredens kwamen mensen naar mij toe en zeiden ze: “Jij staat in de picture. Ik dacht altijd dat iemand zoals jij alles voor elkaar had. Maar als ik zie dat jij ook met die problemen hebt geworsteld, dan geeft mij dat steun.” Dat is eigenlijk ook de belangrijkste boodschap van Te Gek!?: praat erover, kom ermee naar buiten en blijf er niet alleen mee zitten. In die bijna vijfentwintig jaar is er ontzettend veel veranderd. Vandaag zie je dat steeds meer mensen uit de muziekwereld, maar ook politici en andere bekende figuren, openlijk spreken over hun psychische problemen. En dat kan volgens mij alleen maar een goede zaak zijn.

Je hebt een heel rijke carrière achter de rug. Hoe kijk je naar de muziekindustrie vandaag?

Niet alleen technisch is er veel veranderd, ook muzikaal is het een heel andere wereld geworden. Soms lijkt het meer om de beleving te gaan dan om de muziek zelf. Een festival is vaak shoppen geworden: ik ga een stukje van die groep zien, dan een stukje van een andere groep. Ik vond het vroeger wel fijn toen je gewoon één podium had en één affiche. Daardoor heb ik artiesten leren appreciëren waar ik anders nooit naar zou geluisterd hebben. Ik denk dat dat vandaag minder gebeurt door het enorme aanbod.
Ook die hele AI-evolutie vind ik moeilijk. Er bestaan ondertussen groepen die niet bestaan, waarvan de muziek volledig door artificiële intelligentie gegenereerd wordt. Eigenlijk is dat dan een vorm van plagiaat. Je gaat dat waarschijnlijk niet kunnen tegenhouden, maar ik denk wel dat er op termijn een tegenreactie gaat komen. Dat mensen opnieuw muziek gaan maken die daar niet in past. Die zeer menselijk is, mét fouten.

Je hebt niet alleen een passie voor muziek, maar ook voor de wereld om je heen.

Ik vind dat we in zeer woelige tijden leven. Voor mij is de wetenschap eigenlijk het enige houvast. Het universum en de kwantumfysica, het hele grote en het hele kleine: dat interesseert mij enorm. Het kwantumniveau is heel moeilijk te begrijpen. Toch probeer ik daarover te lezen en het te volgen. Dat zijn zaken die mij helpen in hoe ik naar het leven kijk. Het speelt ook een rol in mijn levensbeschouwing. Zoals de astronoom Carl Sagan zei: we leven op een pale blue dot. We zijn kleine mieren op een klein bolleke. Alleen al de Melkweg is onvoorstelbaar groot, en daarnaast bestaan er nog miljarden andere melkwegstelsels. Waarom zouden wij dan speciaal zijn? We zijn nietig.
Net daarom zoek ik mijn houvast niet in ideologieën of dogma’s, maar in wetenschap. Wetenschap biedt mij houvast omdat ze vertrekt van feiten. En als er nieuwe informatie opduikt waardoor bestaande inzichten moeten worden bijgesteld, dan staat de wetenschap daarvoor open. Dat geeft mij vaste grond onder de voeten.

Je bent bij de laatste verkiezingen ook de politiek ingegaan. Vanwaar die keuze?

Ik ben gemeenteraadslid voor Iedereen Diest. Eerst stond ik er niet voor te springen, maar die partij is een mengeling van socialisten en liberalen, en dat sprak mij aan. Ik ben sociaal in mijn voelen en denken, maar ik hecht ook veel belang aan seculariteit. Anders is vandaag zowat de minst rechtse partij die dat principe nog sterk uitdraagt. Dat was voor mij een belangrijke overweging om de stap naar de politiek te zetten.

Waarom vind je die scheiding tussen staat en levensbeschouwing belangrijk?

Omdat we in een multiculturele samenleving leven. Volgens mij is de enige manier om dat te laten werken door religie, levensbeschouwing en politiek van elkaar gescheiden te houden. Je hoeft maar naar de wereld te kijken om te zien wat er gebeurt wanneer godsdienst en politiek door elkaar lopen. Kijk naar de Verenigde Staten. Ze verbieden er boeken en brengen de Bijbel opnieuw in de scholen. Voor mij is dat een verkeerde evolutie.
Ook in België zie je bij ethische thema’s zoals abortus dat religieuze overtuigingen onrechtstreeks invloed hebben op politieke beslissingen. Voor mij moet die scheiding helder blijven. Net daardoor krijgt iedereen de vrijheid om zijn of haar overtuiging te beleven zoals hij of zij ­­­­dat wil. Zodra één levensbeschouwing een bevoorrechte plaats krijgt in het beleid, loopt het volgens mij fout.

Dat LGBTQ+-rechten en regenboogvlaggen vandaag nog altijd een issue zijn, daar kan ik met mijn hoofd niet bij.

Bevalt het leven als politicus je?

Aan de ene kant vind ik het interessant. Aan de andere kant merk ik dat beslissingen soms sterk worden beïnvloed door wat ik het politieke schaakspel noem. Dan hoor je: “Dat kunnen we nu beter niet zeggen” of “Dat is niet goed voor de partij”. Dat strategische denken vind ik niet altijd gemakkelijk. Ik merk ook hoe moeilijk het is om vanuit de oppositie echt dingen te realiseren. Als ik dan kijk naar wat we met Te Gek!? hebben bereikt, dan heb ik soms het gevoel dat we als organisatie meer impact hebben gehad dan ik ooit via de politiek zal hebben. Dat zijn voor mij wel momenten van teleurstelling.

Hoe kijk je naar de wereld van vandaag en die van morgen?

Om het met The Clash te zeggen: “London is drowning and I live by the river.” Dat vat het voor mij een beetje samen. Ik heb geen goed oog op hoe de wereld evolueert. Alles verandert enorm snel, op allerlei vlakken. En de reactie daarop lijkt vaak een terugkeer naar conservatisme. Dat zie je zowel in de politiek als in de godsdienst. Neem nu de discussie rond LGBTQ+-rechten en regenboogvlaggen. Dat dat vandaag nog altijd een issue is, daar kan ik met mijn hoofd niet bij. In de jaren tachtig maakte het niet uit of iemand homo was. Vandaag zie je vooral religieuze en politieke conservatieven daartegen reageren. Laat mensen toch gewoon zijn wie ze willen zijn.
Als iedereen zijn overtuiging voor zichzelf zou houden en niet voortdurend regels aan andere mensen probeerde op te leggen, dan zouden we al heel ver staan. Maar net daar maken zowel politiek als religie zich vaak schuldig aan. Onlangs vertelde een bekende Vlaming dat zijn zoon zich had bekeerd tot het christendom en nu aan zijn vrienden vraagt om niet meer te vloeken in zijn buurt. Dan denk ik: Gast, je bent twee minuten katholiek en je begint al regels op te leggen aan andere mensen. Ik vloek godverdomme zoveel als ik wil: moei u daar niet mee. (lacht)
Je kiest niet waar je geboren wordt, welk geslacht je hebt of op wie je valt. Godsdienst wordt vaak in hetzelfde rijtje geplaatst, maar voor mij ligt dat anders. Een godsdienst is iets waarvoor je kiest. Godsdienst is een idee en ideeën mogen bekritiseerd worden. Dat betekent niet dat ik onbeleefd ga zijn, maar wel dat niemand boven kritiek staat.

Denk je aan zelfmoord en heb je nood aan een gesprek, dan kan je terecht bij de Zelfmoordlijn op het nummer 1813 of via www.zelfmoord1813.be

 

Heb je nood aan een gesprek over zelfbeschikking, eenzaamheid, afscheid, verslaving, levenseinde, … In onze huizenvandeMens en bij onze lidverenigingen ben je altijd welkom, van mens tot mens. Meer info en een afspraak maken