Interview
Bert Goossens en Dimitri De Smet
24 september 2026
Sieber Marly (44) kreeg op zijn achttiende te horen dat hij hoogstwaarschijnlijk onvruchtbaar was. Toch werd hij jaren later vader. Over zijn weg naar het vaderschap schreef hij het boek en maakte hij de theatervoorstelling Mag ik je papa zijn?
Sieber Marly is 18 wanneer bij het CLB een kromme teen en kleinere teelballen bij hem worden vastgesteld. Verder onderzoek bij een specialist leidt tot een onverwachte diagnose: het syndroom van Klinefelter. Marly heeft een extra X-chromosoom – XXY in plaats van XY – en krijgt te horen dat hij hoogstwaarschijnlijk onvruchtbaar is. Wat doet zo’n boodschap met je als je 18 bent? “Eigenlijk niets. Het enige wat mij bijbleef, was dat de specialist zei dat er 99 procent kans was dat ik onvruchtbaar was. Maar als je 18 bent, ben je daar niet mee bezig. Ik speelde nog met LEGO en was nog volop aan het ontdekken hoe de wereld in elkaar zat. Ik had wel al begrepen dat ik misschien een beetje anders was. Maar wie is er niet anders? Ik kreeg eigenlijk gewoon een stempel, een blaadje waarop stond wat ik had. Sindsdien krijg ik om de drie weken testosteron toegediend. Iets waar alle wielrenners jaloers op zijn. (lacht) Bij mij is het natuurlijk om mijn waarden op peil te houden.”
Je bent je pas veel later gaan verdiepen in wat het syndroom van Klinefelter precies inhoudt?
Ja. Toen ik die diagnose kreeg, heeft niemand mij daar veel over verteld. Het was een beetje: je hebt het, hier is de rekening, tot de volgende keer. Google was er nog niet en de stap om zelf in de bibliotheek informatie te zoeken was te groot. Pas later ontdekte ik dat bepaalde zaken waarmee ik worstelde, zoals concentratie, geheugen of moeilijker vrienden maken, met Klinefelter in verband worden gebracht. Dan denk ik: had ik dat vroeger geweten, dan had ik bepaalde dingen misschien beter kunnen plaatsen.
Hoe reageerden jouw ouders op die diagnose?
Die wisten totaal niet hoe ze daarop moesten reageren. Als het over iets gevoeligs gaat, weten mensen vaak niet goed wat ze moeten zeggen. Niemand stelde toen ook de psychologische vraag: hoe gaat het eigenlijk met jou? Toen ik 18 was, was naar een psycholoog gaan iets voor ‘de zotten’. Bij ons in West-Vlaanderen had je in Beernem het ‘zottekot’. Zo werd daar echt over gesproken. Gelukkig beseffen we nu steeds meer dat het goed is om over gevoelens te praten.

In je boek beschrijf je hoe het vaderschap jou lang niet bezighield.
Ik heb voor mezelf altijd gedacht: vaderschap zit er niet in. Ik ben ook heel lang alleen geweest voor ik mijn vriendin leerde kennen. Ik was daar totaal niet mee bezig. Ondertussen kreeg ik steeds meer geboortekaartjes van leeftijdsgenoten en zag ik die vrienden plots veel minder. Als je zelf geen kinderen hebt, begrijp je niet dat zo’n kind al hun aandacht vraagt. Je denkt gewoon: mijn vrienden verdwijnen en ik moet verder. En wat deed ik? Werken. Daar kwam de West-Vlaming in mij naar boven: zwijgen en werken.
Wanneer kwam de kentering?
Tijdens corona. Er werd toen heel erg gehamerd op familie: familie mocht je zien, vrienden niet. Ik vond mijn vrienden altijd minstens even belangrijk, maar plots dacht ik: wij hebben zelf eigenlijk geen gezin. Waarom zou ik eigenlijk geen papa kunnen zijn? Twintig jaar na mijn diagnose ben ik terug naar een arts gegaan. Via een operatie is gezocht of er toch bruikbaar sperma aanwezig was, maar dat bleek niet zo te zijn. Toen begon ik na te denken: wat is een papa eigenlijk? Is dat biologische aspect echt zo belangrijk? Uiteindelijk kwamen we bij donorzaad terecht. Een papa is voor mij iemand die er is en een kind opvoedt. Iemand kan biologisch een kind verwekken en vervolgens tien jaar verdwijnen. Als die dan terugkomt en zegt: “Ik ben wel de biologische papa”, denk ik: nee, je bent de biologische bron. Papa zijn is zoveel meer.
Waarom kozen jullie ervoor om via een fertiliteitskliniek met een donor te werken?
Ik wilde het liefst via een medische omgeving werken, iets wat ik kon vertrouwen. We hebben zelfs naar onze vrienden gekeken: zou dat een goede donor zijn? (lacht) Maar dat kwam voor mij te dichtbij. Stel dat je een vriend vraagt en die persoon jaren later denkt: eigenlijk is dat mijn kind. Mensen veranderen. En wat als je kind dan vraagt: “Ben jij mijn echte papa?” Dat wilde ik niet.
De regering wil de anonimiteit van donoren afschaffen voor toekomstige donaties. Hoe kijk jij daarnaar als vader van een donorkind?
Ik vind dat die mogelijkheid er moet zijn. Dat past ook bij de openheid waar ik voor sta. Het is niet dat ik de donor voor mijn zoon wil verzwijgen. Integendeel, ik ben zelf heel nieuwsgierig: waar komt dat zaad vandaan? Welke stukjes DNA heeft hij van wie meegekregen? Ik ben die persoon ook heel dankbaar. Maar ik vind het een dubbel verhaal. Als donoren weten dat ze later misschien door verschillende kinderen gecontacteerd worden met de vraag: “Ben jij mijn papa? Kunnen we eens afspreken voor een koffie?”, bestaat de kans dat minder mensen willen doneren. Anderzijds is er het recht van het kind. Ik vind dat een kind het recht moet hebben om zijn oorsprong te kennen. Tegen mijn zoon zal ik kunnen zeggen: “Een man heeft ons geholpen door zaad af te staan. Dat hebben we gebruikt om jou te krijgen. Ik ben je papa en wij leggen samen die weg af.” Maar wie die donor is, weten we niet. En dat vind ik zelf heel moeilijk. Er komen verschillende rechten met elkaar in conflict. Ik heb daar zelf ook geen eenvoudig antwoord op.

Met je boek en voorstelling kies je ervoor om heel open over je onvruchtbaarheid en het fertiliteitstraject te zijn. Waarom?
Omdat ik zelf heel weinig boeken of verhalen vond over de ervaringen van mannen in een gelijkaardige situatie. Toen dacht ik: ik kan mijn verhaal delen. Misschien heeft iemand anders er iets aan. Er rust ook nog altijd een taboe op fertiliteitsproblemen, ook bij mannen. Op de fertiliteitsafdeling in het ziekenhuis komt iedereen samen, maar iedereen kijkt naar de grond. Niemand wil daar iemand tegenkomen die hij kent, want iedereen weet waarvoor je daar bent. Dat zegt toch iets.
Waarom ligt onvruchtbaarheid bij mannen nog zo gevoelig?
We hebben een bepaald idee van wat het betekent om man te zijn. Dat verandert gelukkig, maar je ziet vandaag ook opnieuw mensen teruggrijpen naar een soort oerbeeld: we moeten sterk en vruchtbaar zijn. Maar mannekes toch. Wat dan met mannen die het moeilijk hebben en daar nooit iets over delen? Of mannen die onvruchtbaar zijn? Horen die plots niet meer bij het clubje? Onvruchtbaarheid behoort nu eenmaal tot het mens zijn. Je kiest daar niet voor. Het is toch beter dat je erover kunt praten zonder uitgelachen of uitgesloten te worden? Mannen onder elkaar zijn vaak heel competitief en lachen problemen weg. Maar zoiets kan toch niet bepalen wie je bent?
Tegelijk gebruik je zelf veel humor in de voorstelling. Waar ligt voor jou het verschil?
Er is een verschil tussen humor en uitlachen. Ik mag met mezelf lachen en dat helpt om anderen mee te krijgen in het verhaal. Humor kan, net als muziek, helpen om een pijnlijke realiteit naar boven te brengen. Ik vind niet dat iedereen daar per se over móét praten. Maar soms helpt het om ook eens die kant van het verhaal te horen.

Heeft de voorgeschiedenis invloed op hoe je het vaderschap beleeft?
Sinds zijn geboorte, drieënhalf jaar geleden, is onze weg eigenlijk identiek aan die van iedereen anders. Het is niet dat ik een andere soort papa ben. In de boeken word ik dan een ‘opvoedpapa’ genoemd. Alles moet een naam hebben, terwijl ik gewoon papa ben en hij mijn zoon is. We vertellen hem op tijd en stond over hoe hij er gekomen is, zodat hij er van jongs af aan mee vertrouwd raakt. Al ben ik nog altijd aan het nadenken over wat een goede manier is om dat te vertellen.
Wat heb je geleerd uit het vaderschap?
Ik weet niet of ik al tijd heb gehad om daarover na te denken. (lacht) Je probeert gewoon mee te gaan in alle fases die je kind doorloopt. Wat ik vooral leer, is hoeveel een kind onbewust van jou overneemt. Je moet opletten met wat je zegt en doet, want hij kopieert alles. Jij bent zijn voorbeeld. Soms zit je bijvoorbeeld in de auto, maak je je kwaad om iets en hoor je hem dat even later herhalen. Dan denk je: oeps, dat was niet de bedoeling. (lacht)
Wat wil je dat mensen vooral onthouden uit je voorstelling?
Ze moeten niets. Ik wil vooral mijn verhaal delen, omdat dit soort verhalen zelden verteld wordt. Mannen hebben ook gevoelens, maar delen die vaak niet. We moeten durven zeggen dat het oké is om daarover te praten. Niet alleen tooggrapjes maken of feiten uitwisselen, maar soms gewoon kunnen zeggen: “Ik voel me echt niet goed.” En dan eens naar elkaar luisteren. Niemand is zwakker omdat hij niet beantwoordt aan een bepaald stereotype van wat een man hoort te zijn. Wie heeft dat stereotype eigenlijk bepaald? Wie bepaalt wat normaal is en wat niet? Mijn boek en voorstelling zijn daarom ook niet alleen bedoeld voor mensen die hetzelfde hebben meegemaakt. Ze kunnen je ook inzicht geven in de wereld van iemand anders.
Mag ik je papa zijn? van Sieber Marly verscheen bij Borgerhoff en Lamberigts
Ontdek hier waar en wanneer je de voorstelling kunt zien
Wij gebruiken cookies om onze website goed te laten functioneren en om inzicht te krijgen in het gebruik van de site. Door op "Accepteren" te klikken geef je toestemming voor het gebruik van alle cookies. Je kunt je voorkeuren op elk moment aanpassen.