Karel Poma-lezing
Bert Goossens en Dimitri De Smet
14 oktober 2026
Hoe verdedigt Europa zijn waarden in een wereld waarin machtspolitiek steeds nadrukkelijker de toon zet? Defensie-expert en vrijzinnig humanist Sven Biscop (50) pleit voor een Europa dat welwillend blijft, maar zich ook kan verweren. “We mogen nooit zelf iets doen dat strijdig is met onze eigen waarden.”
We ontmoeten Sven Biscop op het Egmont Instituut in Brussel, een denktank die onderzoek doet naar internationale politiek en veiligheidsvraagstukken. Als politicoloog bij het Egmontinstituut en de Universiteit Gent bestudeert hij de strategie en het buitenlands beleid van Europa. De vrijzinnig humanistische waarden die hij van zijn ouders meekreeg, vormen daarbij zijn morele kompas.
Maar hoe blijft dat kompas overeind in een wereld van geopolitiek machtsvertoon? Die vraag staat centraal tijdens de achtste Karel Poma-lezing op maandag 16 november in Antwerpen. Onder de titel De welwillende wereldspeler onderzoekt Biscop hoe Europa zijn waarden kan verbinden met een doeltreffend buitenlands beleid.
Wat bedoelt u met Europa als ‘welwillende wereldspeler’?
We zien onszelf graag als een welwillende wereldspeler. Maar niet iedereen ervaart ons zo. Ons economisch beleid kan bijvoorbeeld behoorlijk assertief zijn tegenover anderen. Bovendien denken we misschien te vaak dat welwillendheid voldoende is: als je het goed bedoelt, zul je je doelstellingen wel bereiken. Zo werkt het niet. Sommige spelers zijn heel bewust kwaadwillig, ook tegenover ons.
Buitenlands beleid is per definitie competitief. Andere spelers volgen hun eigen strategie en zullen soms doelbewust proberen om de onze te doen mislukken. Dat vergeten we te gemakkelijk.
Mijn these is dat er wel degelijk plaats is voor welwillendheid. Daarmee bedoel ik een buitenlands beleid dat de waarden respecteert waarop ook onze samenleving gebaseerd is. Niet als zwaktebod, omdat we niets anders kunnen, maar omdat het onze keuze is. Tegelijk moeten we ons model kunnen beschermen als iemand zich kwaadwillig tegenover ons opstelt, en indien nodig ook hard terugslaan. Dat is een pragmatische, realpolitieke correctie op een puur idealistische visie.
We horen steeds vaker dat we ons op oorlog moeten voorbereiden. Kan die retoriek niet net het risico op oorlog vergroten?

We voeren als Europa helemaal geen oorlogsretoriek. We zeggen dat we onszelf willen kunnen verdedigen. Daarvoor heb je militaire middelen nodig die in verhouding staan tot die van je potentiële tegenstander. We helpen ook Oekraïne om zichzelf te verdedigen.
Oorlogsretoriek zou betekenen dat we zelf militaire, expansionistische doelstellingen beginnen te formuleren. Daar is in Europa absoluut niemand meer in geïnteresseerd. Na twee wereldoorlogen en de kolonisatie hebben we onze les geleerd. Hopelijk voor altijd.
Maar we moeten wel een debat voeren. We moeten meer doen om onszelf te kunnen verdedigen, maar wanneer wordt ‘meer’ te veel? Een leger verdedigt niet alleen een grondgebied, maar ook een samenleving, een maatschappijvorm. Ga die maatschappijvorm dus niet afbreken om je leger op te bouwen. Het is precies die maatschappij die je verdedigt. Je moet het juiste evenwicht zoeken.
Toch klinkt de kritiek dat we investeren in defensie terwijl we besparen op sociale uitgaven, zoals de pensioenen.
Tot in de jaren tachtig gaven we zo’n drie procent van het bbp uit aan defensie. We waren toen geen verarmd land. Het kan dus, als je het wilt, maar we moeten ons ervoor organiseren.
Ik ben er vrij zeker van dat we zaken subsidiëren die geen subsidie nodig hebben. De middenklasse en hogere middenklasse zouden het nauwelijks voelen als die steun wegviel. Anderzijds zijn er mensen en sectoren die veel te weinig bijdragen aan de inkomsten van de staat.
Je moet dus een mix zoeken. De vraag is niet alleen waar je kunt besparen, maar ook wie best iets meer kan bijdragen.
Hoe voorkomen we dat we bij het verdedigen van onze waarden diezelfde waarden verloochenen?
In je buitenlands beleid moet je je eigen waarden net zo respecteren als in je binnenlands beleid. Er is geen enkele reden waarom ze daar minder strikt zouden gelden. Dat is voor mij de rol van waarden in strategie: we mogen nooit zelf iets doen dat onze eigen waarden schendt.
Het is niet altijd gemakkelijk om die grens te trekken. Kijk naar ons migratiebeleid: volgens mij overschrijden we daar die grens vaak. We betalen buurlanden om mensen daar te houden en kijken liever niet naar de details. We doen het dus niet altijd goed.
Als je een buitenlands beleid voert dat je eigen waarden niet meer respecteert, gaat dat wringen. De mensen die het moeten uitvoeren en de publieke opinie beginnen zich ertegen te verzetten. Denk aan de Verenigde Staten tijdens de Vietnamoorlog.
Of je eigen maatschappij verandert. Kijk naar Israël: het voert niet alleen een zeer agressief en koloniaal buitenlands beleid, maar de samenleving zelf is ook verrechtst en gemilitariseerd. Het Israël van vandaag is niet meer dat van dertig jaar geleden. Toen was het politieke spectrum veel diverser. Blijf dus altijd trouw aan je waarden.
Humanisten kijken met lede ogen naar de tragedies in het Midden-Oosten. Welke hefbomen heeft Europa om druk uit te oefenen op Israël?
Als we wilden, zouden we zware economische sancties tegen Israël kunnen nemen en het uitsluiten van allerlei Europese verbanden. Maar een aantal Europese landen identificeert zich zo sterk met Israël dat ze nooit echt actie tegen dat land zullen toelaten.
We hebben dus hefbomen, maar zijn niet in staat om ze te gebruiken omdat we zo verdeeld zijn. De meeste zitten bovendien op Europees niveau, niet op nationaal niveau.
Je moet ook het juiste gevecht kiezen. Economische sancties zouden het beste zijn. De discussie aan mijn universiteit in Gent over het stopzetten van de samenwerking met Israëlische universiteiten vind ik verkeerd. Als je ergens nog kritische mensen hebt in Israël, dan zijn ze vaak net daar.
En als je die redenering doortrekt: mag ik dan nog met een Chinese universiteit samenwerken? De academische dialoog is voor mij altijd het laatste wat je moet verbreken.
Mogen we als Europeanen ook wat meer zelfzekerheid aan de dag leggen over ons samenlevingsmodel?

Europa is een rijk continent. Ons samenlevingsmodel steunt op democratie, de vrije markt én het gelijkheidsbeginsel. Daarmee bedoel ik niet alleen gelijkheid voor de wet. De staat heeft volgens ons ook de verantwoordelijkheid om voor een zekere gelijkheid tussen mensen te zorgen. Niet alleen gelijke kansen bij de start, maar ook een zekere gelijkheid in de uitkomst. Geen honderd procent, natuurlijk, maar wel een zekere mate.
Dat model is verre van perfect. Er vallen nog altijd mensen uit het systeem, wat eigenlijk niet zou mogen. Maar voor een veel groter deel van de bevolking werkt ons model beter dan op veel andere plekken.
Ik ben met een Taiwanese man getrouwd. Als je met iemand van buiten Europa trouwt, valt dat nog meer op. We hebben het hier voor mensen die studeren of werken toch op veel vlakken gemakkelijker gemaakt.
Taiwan is een democratie, maar kijk eens naar de onderwijs- en arbeidscultuur in Taiwan, Zuid-Korea of Japan. De prestatiedruk en werkdruk zijn er veel hoger. Als je daarvandaan komt, denk je: hier is het eigenlijk wel relaxed.
Maar dat is een vergelijking, natuurlijk. Iedereen bekijkt zijn eigen situatie en vergelijkt zich eerder met zijn naasten dan met mensen buiten Europa.
Als humanisten willen we dat de mensenrechten van iedereen worden gerespecteerd. Kunnen we daarnaar blijven streven, of is dat een naïeve droom?
Die droom moet je niet opbergen. Maar je mag niet denken dat je respect voor mensenrechten op korte termijn overal kunt realiseren, laat staan afdwingen. Welke hefboom hebben wij om de binnenlandse politiek van een ander land in die richting te sturen? Als een land lid wil worden van onze club, hebben we die hefboom wel. Maar dat geldt alleen binnen Europa.
We moeten landen blijven aanspreken wanneer ze verdragen schenden die ze zelf hebben ondertekend. Helaas kunnen we respect voor mensenrechten niet als voorwaarde stellen voor elke vorm van samenwerking. Er zijn te weinig democratische staten. We moeten ook met andere landen samenwerken, voor energie, economie en veiligheid.
Je bent dus verplicht om zaken van elkaar te scheiden. Hier zijn we het erover eens dat we het oneens zijn, daar kunnen we wel samenwerken. Als je alles aan alles koppelt, kun je op den duur alleen nog met jezelf samenwerken.
Maar behoud het als streefdoel. Het zijn universele waarden, geen Europese rechten. Het zijn mensenrechten waarin we geloven. Als je gelooft in mensenrechten, geloof je per definitie in universele rechten. Je moet die droom niet opbergen, maar wel goed beseffen wat er praktisch haalbaar is.
Ziet u ondanks alle oorlogen en conflicten ook lichtpunten?
Je moet altijd optimistisch zijn. Het lichtpunt is dat we beseffen in welke situatie we ons bevinden en ons daaraan aanpassen. We staan klaar en kunnen niet zomaar door een externe vijand worden overweldigd. Het kan allemaal veel beter. Maar we begrijpen de dreigingen beter en doen er meer aan dan vóór de invasie van Oekraïne. We staan toch een heel stuk verder.
De grootste bedreiging is volgens mij echter niet extern, maar intern: onze eigen extreemrechtse, en op sommige plekken ook extreemlinkse, antidemocratische krachten. Poetin gaat de EU niet kapotmaken, maar extreemrechts kan dat wel. Poetin of Xi Jinping zullen de Verenigde Staten niet ten val brengen, maar Trump kan zijn land wel kapotmaken. Dat is een rechtstreeksere bedreiging, ook voor onze waarden als humanisten.
U bent vrijzinnig humanist en hecht belang aan zelfbeschikking. Tegelijk bestudeert u het leger, waar hiërarchie centraal staat. Hoe rijmt u die twee?
Ik maak niet zo’n sterke of eenzijdige koppeling tussen humanisme en individualisme. Je vertrekt natuurlijk van de waarde van elk individu. Maar een individu kan zich niet op zichzelf ontplooien. Anders staan we allemaal zelf in de grond te ploeteren en patatten te planten. Dat is het ook niet. Je moet je dus organiseren, maar op zo’n manier dat elk individu in zijn waarde blijft.
Als een leger wordt ingezet, kan het over leven en dood gaan. Daarom heeft die organisatie een striktere hiërarchie nodig. Maar je kunt een strikte hiërarchie hebben en toch elk individu in zijn waarde laten.
Het leger van vandaag is ook niet meer dat van jaren geleden. Mensen beledigen tijdens de opleiding of ontgroeningen toelaten: dat gaat eruit. Wie ervoor kiest om een uniform te dragen, moet je in zijn waarde laten. Uiteindelijk is het een leger van burgers, in de betekenis van citoyens. Dat is net kenmerkend voor het leger van een democratische staat.
De Karel Poma-lezing 2026 gaat door op maandagavond 16 november in zaal AthenA van het GO! Koninklijk Atheneum Antwerpen. Deelname kost € 10, inclusief receptie en publicatie. Studenten gratis. Inschrijven is verplicht.
Wij gebruiken cookies om onze website goed te laten functioneren en om inzicht te krijgen in het gebruik van de site. Door op "Accepteren" te klikken geef je toestemming voor het gebruik van alle cookies. Je kunt je voorkeuren op elk moment aanpassen.