Vrouwenbesnijdenis

“Hoe vrij en geïnformeerd is een keuze als je niet weet dat je lichaam normaal is?”

Bert Goossens en Mila De Baere

8 oktober 2026

Waarom zijn vrouwenbesnijdenissen verboden, terwijl cosmetische genitale ingrepen wel zijn toegestaan? Het is een van de vele vragen die Hannelore Van Bavel (34) onderzoekt. Op zaterdag 21 november vertelt ze erover tijdens de Nacht van de Vrijdenker. Ze bestudeert hoe we naar genitale ingrepen kijken en welke rol cultuur, sociale normen en zelfbeschikking daarbij spelen. “Als je al oordeelt voordat je onderzoek begint, ga je weinig te weten komen.”

Het onderzoek van Hannelore Van Bavel naar genitale ingrepen bracht haar van Gent naar Londen en Bristol en naar verschillende Afrikaanse landen, waar ze langdurig veldwerk deed. Vandaag is ze verbonden aan RHEA, het expertisecentrum Gender, Diversiteit en Intersectionaliteit van de VUB, en maakt ze deel uit van de Jonge Academie. Vanuit een antropologische blik onderzoekt ze hoe we naar genitale ingrepen kijken. Dat het om een gevoelig onderwerp gaat, blijkt al uit de terminologie: “De terminologie is politiek geladen. ‘Genitale verminking’ is de term die de VN, mensenrechtenorganisaties en veel ngo’s gebruiken. Zelf spreek ik vaak over ‘vrouwenbesnijdenis’, omdat dat een neutralere term is die ook door veel gemeenschappen zelf wordt gebruikt. Maar wanneer ik met overlevers spreek, gebruik ik bijvoorbeeld wel ‘verminking’. Ik probeer mijn terminologie af te stemmen op de mensen met wie ik spreek, uit respect voor hoe zij het zelf ervaren.”

Wat zijn de redenen dat meisjes of vrouwen besneden worden?

Dat is heel uiteenlopend. In het Westen leeft vaak het idee dat vrouwenbesnijdenis dient om de seksualiteit van vrouwen te onderdrukken. Dat kan in bepaalde gemeenschappen zeker het geval zijn, maar er zijn zoveel verschillende etnische groepen die de praktijk om uiteenlopende redenen en op verschillende leeftijden toepassen, dat je daar geen eenduidig antwoord op kan geven. Wat wel vaak terugkomt, is dat vrouwenbesnijdenis een sociale norm wordt, iets wat van je verwacht wordt. Wie er niet aan voldoet, kan sociale en economische nadelen ondervinden: niet kunnen trouwen en daardoor economische zekerheid verliezen, niet mogen deelnemen aan culturele praktijken, uitgelachen of uitgesloten worden …

Kan je enkele voorbeelden geven uit jouw onderzoek?

Hannelore Van Bavel: “Persoonlijk vind ik het niet goed om in het lichaam van kinderen te snijden die daar niet mee kunnen instemmen. Maar ik probeer een duidelijk onderscheid te maken tussen mijn onderzoek enerzijds en mijn persoonlijke mening en engagement anderzijds.”

Ik heb vooral met Masai-gemeenschappen in Oost-Afrika gewerkt. Daar vindt zowel de besnijdenis van jongens als van meisjes plaats aan het begin van de puberteit. Het is een manier om de overgang van meisje naar vrouw en van jongen naar man letterlijk in het lichaam te schrijven. De besnijdenis maakt deel uit van een driedaagse ceremonie met allerlei andere rituelen en festiviteiten. Seksuele controle speelt daar veel minder een rol. Na de besnijdenis verandert wel met wie je seks mag hebben: met je echtgenoot en, vroeger, ook met mannen uit zijn leeftijdsgroep. Maar er wordt niet verwacht dat meisjes daarvoor maagd zijn. Integendeel, van meisjes werd traditioneel verwacht dat ze voor de puberteit al seksueel actief waren. Dat verandert vandaag onder invloed van de kerk en christelijke ideeën over maagdelijkheid en seksuele zuiverheid.
Bij Somalische gemeenschappen ligt dat anders. Daar kan de besnijdenis al op zeer jonge leeftijd plaatsvinden, soms zelfs bij baby’s, en speelt het bewaren van de maagdelijkheid tot het huwelijk vaak wel een belangrijke rol. Traditioneel kwam er een ingrijpende vorm voor waarbij de uitwendige genitaliën grotendeels werden verwijderd en de opening werd vernauwd, met een kleine opening voor urine en menstruatie. Bij het huwelijk wordt die opening weer vergroot. Dat verandert en er wordt steeds vaker voor minder invasieve vormen gekozen. Maar je ziet wel dat wanneer controle over seksualiteit een belangrijke rol speelt, het vaak om invasievere vormen van besnijdenis of verminking gaat.

Deze gebruiken zijn politiek en moreel sterk geladen. Probeer je daar als onderzoeker toch neutraal naar te kijken?

Ja. Dat is eigen aan antropologie: we proberen culturen te begrijpen. Cultuurrelativisme betekent niet hetzelfde als moreel relativisme. Het betekent dat je probeert te begrijpen welke betekenis of functie een praktijk binnen een bepaalde gemeenschap heeft. Als je al oordeelt voordat je onderzoek begint, ga je weinig te weten komen. Dat betekent niet dat ik zelf geen mening heb. Ik werk vanuit mijn onderzoek ook samen met ngo’s en de VN. Persoonlijk vind ik het niet goed om in het lichaam van kinderen te snijden die daar niet mee kunnen instemmen. Maar ik probeer een duidelijk onderscheid te maken tussen mijn onderzoek enerzijds en mijn persoonlijke mening en engagement anderzijds.

Vrouwenbesnijdenis is in veel landen verboden. Waarom gebeurt het dan toch?

Wetgeving zorgt er, net zoals bij druggebruik, niet voor dat een praktijk zomaar stopt. Ze kan er wel voor zorgen dat die meer ondergronds gebeurt, met onbedoelde gevolgen. Bij de Masai zien we bijvoorbeeld dat meisjes soms op jongere leeftijd worden besneden, waardoor het nog moeilijker wordt om nee te zeggen. Het gebeurt ook vaker zonder de traditionele ceremonie, waardoor de culturele betekenisgeving errond verdwijnt. Een ander probleem is dat ouders soms te lang wachten om medische hulp te zoeken wanneer er iets misgaat, uit angst om vervolgd te worden. Bij ernstige bloedingen of infecties kan dat de gezondheidsrisico’s voor meisjes nog vergroten.

Zijn er nog onbedoelde gevolgen in de strijd tegen vrouwenbesnijdenis?

In ons Engels onderzoek kijken we bijvoorbeeld naar onbedoelde gevolgen van het beleid tegen vrouwelijke genitale verminking. We zien er gevallen van racial profiling en vrouwen die opnieuw getraumatiseerd worden. Vrouwen vertelden bijvoorbeeld dat ze voor een gewone medische klacht naar een arts gingen en meteen vragen kregen over vrouwenbesnijdenis. Er zijn ook meisjes van wie het paspoort werd afgenomen omdat er een vermoeden van vrouwenbesnijdenis bestond. Sommige vrouwen uit Bristol zijn zelf naar ons gekomen met de vraag om dat te onderzoeken. Ze zijn tweede of derde generatie Britten met een migratieachtergrond en zeggen: ‘Wij zijn gewoon Britten, maar we worden niet behandeld zoals andere Britten.’ Ik zie mijn rol als onderzoeker daarom vooral als het aanbrengen van nuance: hoe kan je vrouwenbesnijdenis bestrijden zonder daarbij ander leed te veroorzaken of mensen op basis van hun afkomst te profileren?

Komt vrouwenbesnijdenis ook in België voor?

Het gebeurt wel, maar het is heel moeilijk om te zeggen hoe vaak. Er worden cijfers gegeven over duizenden meisjes die in België ‘at risk’ zouden zijn, maar je moet voorzichtig zijn met hoe die worden berekend. Die schattingen vertrekken vaak van het herkomstland van de moeder en hoe vaak vrouwenbesnijdenis daar voorkomt. De onderliggende aanname is dat die praktijk ook bij de volgende generatie wordt voortgezet. Maar veel vrouwen die zelf besneden zijn, zijn in een diasporacontext helemaal niet van plan om hun dochters te laten besnijden. De sterke sociale druk die in het land van herkomst kan bestaan, is hier vaak veel kleiner of zelfs omgekeerd. We weten dus niet goed hoeveel meisjes in België daadwerkelijk besneden worden.

Waar ligt de focus in jouw onderzoek?

Toen ik enkele maanden bij een Masai-gemeenschap verbleef en dagelijks met vrouwen sprak, viel me vooral op hoe anders hun verhaal was dan het verhaal waarmee ik in België was opgegroeid rond vrouwenbesnijdenissen. Dat zette me aan het denken: wie bepaalt het verhaal rond genitale modificaties en met welke gevolgen? Tijdens mijn doctoraat ben ik daarom gaan kijken naar de koloniale geschiedenis van de campagnes tegen vrouwenbesnijdenis. Doorheen de geschiedenis hebben verschillende actoren, vaak Afrikaanse vrouwen, erop gewezen dat het dominante verhaal te simplistisch of koloniaal was en dat zij op andere manieren met de praktijk wilden omgaan. Die stemmen werden vaak minder gehoord. Daarmee wil ik zeker niet zeggen dat de strijd tegen vrouwenbesnijdenis iets westers is. Heel veel campagnes tegen vrouwenbesnijdenis worden net geleid door Afrikaanse vrouwen. Het gaat mij erom welke stemmen we wel horen en welke niet.
Van daaruit ben ik ook naar genitale cosmetische chirurgie gaan kijken. We voeren al ongeveer honderd jaar campagne tegen vrouwelijke genitale verminking, terwijl we tegelijkertijd een sterke toename zien van cosmetische ingrepen aan vrouwelijke genitaliën. Volgens de officiële definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie zouden bepaalde van die ingrepen daar ook onder kunnen vallen, maar in de praktijk behandelen we ze als twee totaal verschillende fenomenen.

Is het onderscheid tussen vrouwenbesnijdenis en cosmetische genitale ingrepen wel zo scherp?

Dat is precies een van de vragen die ik stel. Mijn onderzoek kijkt naar de waarden en aannames achter de heel verschillende manier waarop we vrouwenbesnijdenis en genitale cosmetische chirurgie behandelen. Daar spelen ook ideeën in mee over wie autonomie heeft: wie zien we als slachtoffer en wie als een zelfstandige consument die vrij over haar lichaam beslist? Bij vrouwenbesnijdenis denken we al snel aan een ingreep ‘in de bush’, terwijl genitale cosmetische chirurgie plaatsvindt in een universitair ziekenhuis door een gerenommeerde arts. Maar die tegenstelling wordt steeds moeilijker vol te houden. In landen als Egypte en Kenia wordt vrouwenbesnijdenis bijvoorbeeld ook gemedicaliseerd en soms door artsen uitgevoerd. Tegelijkertijd betekent dat niet dat elke keuze daarom even vrij is. In een gemeenschap waar bijna alle vrouwen besneden zijn en je bijvoorbeeld niet kan trouwen als je niet besneden bent, is de sociale druk enorm. Een sociale norm stopt ook niet plots wanneer je achttien wordt. Er zijn volwassen vrouwen die alsnog voor een besnijdenis kiezen omdat ze anders worden uitgesloten. Maar ook bij genitale cosmetische chirurgie in België is keuze complex. Ook hier bestaan sociale normen en schoonheidsidealen die mee bepalen wat vrouwen over hun lichaam denken. De interessante vraag is dus niet alleen: ‘Heeft een volwassen vrouw hiervoor gekozen?’, maar ook: ‘Binnen welke omstandigheden heeft ze die keuze gemaakt?’

Om daar dieper om in te gaan: waarom kiezen vrouwen voor cosmetische ingrepen aan hun genitaliën?

De schaamlipcorrectie is de meest gevraagde ingreep, maar er bestaan ook andere vormen van genitale cosmetische chirurgie, zoals het verkleinen van de clitoriskap, vetinjecties in de buitenste vulvalippen of het vernauwen van de vagina. Vrouwen noemen aanvankelijk vaak functionele redenen: last bij het fietsen, bepaalde kleding of tijdens seks. Maar in bijna elk gesprek kwam ook het woord ‘schaamte’ naar boven. Eén vrouw omschreef het als ‘80 procent schaamte en 20 procent last’. Wat ik bijzonder opvallend vond, was dat twee respondenten die op hun vijftiende of zestiende waren geopereerd, tijdens ons gesprek voor het eerst hoorden dat langere of asymmetrische binnenste vulvalippen volkomen normaal kunnen zijn. Daar spelen schoonheidsidealen een rol in, maar ook een gebrek aan kennis. Uit een bevraging bij 2.000 vrouwen in België en Nederland bleek dat 43 procent niet wist dat de binnenste vulvalippen langer kunnen zijn dan de buitenste. We leren nauwelijks dat vulva’s in allerlei vormen, maten en kleuren voorkomen. Dan kom je opnieuw bij die vraag over autonomie: hoe vrij en geïnformeerd is een keuze als je niet weet dat je lichaam normaal is?

Hoe kunnen we meer aandacht hebben voor die diversiteit?

Er bestaan bijvoorbeeld initiatieven zoals The Vulva Gallery, met illustraties van echte vulva’s, Vulvarium, dat afdrukken maakt, en de website Flip Through My Flaps, waar je foto’s van echte vulva’s kan bekijken. Zulke initiatieven laten zien hoeveel natuurlijke variatie er bestaat. Op school ligt dat gevoelig. Ouders hebben verschillende ideeën over wat jongeren wel en niet mogen zien. Maar ik vind het belangrijk dat jongeren minstens weten waar ze betrouwbare informatie kunnen vinden. We weten dat ze zelf gaan kijken en zoeken. Ook populaire media kunnen daarin een rol spelen. In Sex Education op Netflix kwam The Vulva Gallery bijvoorbeeld aan bod. Daarmee bereik je meteen duizenden mensen. Dokter Bea komt terug op Ketnet en ik hoop dat ook daar aandacht kan zijn voor de diversiteit van lichamen.

Hoe gaan Belgische artsen om met vrouwen die zo’n cosmetische ingreep vragen?

Hannelore Van Bavel: “Onze keuzes worden altijd beïnvloed door de samenleving en door de mensen om ons heen.”

Ik heb daarover artsen geïnterviewd en daaruit kwamen grofweg twee visies naar voren. De eerste legt de nadruk op het functionele. Sommige vrouwen hebben fysieke klachten, maar artsen wijzen ook op mentaal welzijn. Als een vrouw zich zo schaamt dat ze geen seksuele relatie durft aan te gaan of zich niet kan ontspannen, beschouwen zij dat ook als een gezondheidsprobleem. Een tweede groep legt vooral de nadruk op keuzevrijheid: het is het lichaam van de patiënt en als een arts haar vraag veilig kan vervullen en haar daarmee kan helpen, is het niet aan de arts om daarover te oordelen. Bij die laatste redenering heb ik wel vragen. Er wordt vaak verwezen naar lichamelijke autonomie: als een vrouw ervoor kiest, moeten we die keuze respecteren. Maar stopt onze verantwoordelijkheid daar? Zeker jonge vrouwen zouden ook begeleid moeten worden om kritisch na te denken over wat hun keuze beïnvloedt. Sommige vrouwen die ik interviewde, waren nog steeds in tranen wanneer ze vertelden over de schaamte die ze hadden ervaren, terwijl ze tegelijkertijd heel tevreden waren met hun operatie. Ik zeg dus zeker niet dat zulke operaties niet zouden mogen. Maar zo’n keuze kan wel gemaakt worden onder grote emotionele druk en uit angst om bijvoorbeeld tijdens seks uitgelachen te worden. Dat moeten we ook meenemen wanneer we over keuzevrijheid spreken.

Je doet nu ook onderzoek naar genitale cosmetische chirurgie in Kenia. Waarom is dat interessant?

Toen ik Belgische artsen vroeg naar het verschil tussen vrouwenbesnijdenis en genitale cosmetische chirurgie, kreeg ik nogal eens het antwoord: ‘Maar vrouwenbesnijdenis gebeurt in Afrika, dat is iets helemaal anders.’ Daar zitten bepaalde koloniale aannames achter. Net daarom is Kenia zo interessant. Je vindt er zowel vrouwenbesnijdenis als genitale cosmetische chirurgie, maar ook gemedicaliseerde besnijdenissen en reconstructies na genitale verminking. Soms zijn dezelfde plastisch chirurgen of gynaecologen met verschillende van die ingrepen bezig. Dan wordt het moeilijker om te zeggen dat het om twee totaal verschillende werelden gaat. De artsen die ik daar spreek, maken nog altijd een onderscheid, maar hun antwoorden zijn genuanceerder. Ze erkennen dat het in theorie in beide gevallen kan gaan om volwassen vrouwen die om niet-medische redenen hun genitaliën willen laten aanpassen. Tegelijk wijzen ze op een heel praktische kwestie: als er maar weinig plastisch chirurgen beschikbaar zijn, besteed je die beperkte middelen dan aan cosmetische ingrepen en medische besnijdenissen, of bijvoorbeeld aan reconstructies na genitale verminking?

Zelfbeschikking moet dus volgens jou in een breder perspectief worden geplaatst?

Ja. Ik spreek daarom over ‘relationele autonomie’. Het idee dat we als volledig vrije individuen keuzes maken, klopt niet. Onze keuzes worden altijd beïnvloed door de samenleving en door de mensen om ons heen. Bij genitale cosmetische chirurgie spelen bijvoorbeeld schoonheidsidealen een rol. Maar ook een partner kan veel invloed hebben. Verschillende vrouwen vertelden dat ze nooit een probleem hadden met hun vulva, tot een nieuwe sekspartner er een opmerking over maakte. Zoiets kan op een heel intiem moment enorm hard aankomen. Ook artsen spelen een belangrijke rol. Een vrouw vertelde dat ze onzeker was en aan haar arts vroeg of ze normaal was. Toen die antwoordde: ‘Ja, ik zie wat het probleem is’, was dat voor haar een bevestiging dát er een medisch probleem was. Als de arts vervolgens zegt dat het met een operatie van twintig minuten kan worden opgelost, lijkt een operatie al snel de normale behandeling. Andere vrouwen kregen van hun gynaecoloog te horen: ‘Je bent volledig normaal. Als je het toch wilt, kunnen we iets doen, maar weet dat er risico’s zijn en dat de ingreep pijnlijk kan zijn.’ Een vrouw die op die manier was geïnformeerd, was achteraf nog steeds blij met haar operatie en twijfelde niet aan haar keuze. Andere vrouwen zeiden achteraf: ‘Als ik had geweten dat het zo pijnlijk zou zijn, had ik het misschien niet gedaan’ of ‘Als ik had geweten dat ik eigenlijk normaal was, had ik het misschien niet gedaan.’ Dat toont hoe belangrijk de omstandigheden zijn waarin zo’n keuze wordt gemaakt. Zelfbeschikking veronderstelt ook dat je voldoende geïnformeerd bent.