Gender
Bert Goossens en Dimitri De Smet
25 maart 2026
Dokter Piet Hoebeke (64) is een van de pioniers in de transgenderzorg in UZ Gent. In zijn nieuwste boek Trans… et alors? geeft hij twaalf trans personen een stem en een gezicht. Een van hen is Winne Haenen (65), arts-gezondheidsinspecteur bij de federale overheid. “Hoe ik denk of voel, wordt ingevuld door anderen.”
We ontmoeten beide artsen in de serres van het Gents Universiteitsmuseum (GUM). Tussen de tropische planten hangen enkele indrukwekkende portretten van de twaalf mensen uit het boek, gemaakt door Lieve Blancquaert. Hoebeke maakt meteen duidelijk waarom dit boek er moest komen:
“We zijn in Gent begonnen in 1987: de eerste trans vrouw, in 1993 was er de eerste trans man. Dat waren moeilijke verhalen, maar het waren mensen die hun leven op orde hadden volgens de normen van de maatschappij. Ze waren gehuwd en hadden kinderen. En toch kwam finaal die genderdysforie* naar boven en zochten ze hulp en behandeling, wat dan ook voor hun gezin heel confronterend was.
Vanaf de jaren negentig zagen we veel aanvaarding, ook binnen ziekenhuizen. Dat ging goed tot begin jaren 2000. Daarna is het bergaf gegaan. En de laatste jaren wordt de anti-transtrend enorm versterkt door regimes zoals dat van Trump.
Het concept gender heeft paniek veroorzaakt: er is iets in de samenleving geslopen dat we niet hebben zien aankomen. Ik zie nu in mijn consultaties veel jongeren die echt bang zijn en twijfelen. Niet over hun genderidentiteit, maar over hoe de maatschappij reageert.
Dat is ook wat het boek toont: geen enkele van de twaalf personen heeft een probleem met zichzelf. Ze botsen op een maatschappij die een probleem heeft met hen. Dat is de kern: waar bemoeit ge u in godsnaam mee?”
Winne: “Het is daarom belangrijk om te tonen: het is maar dat. Et alors? In mijn job heeft het niets veranderd. En mijn transitie? Voor anderen is het nu duidelijk.”
Vanwaar komt die weerstand tegen trans mensen?
Winne: “Ik denk dat dat komt uit het feit dat je anders bent dan anderen. Niet meer of minder dan dat. Men kent het niet en vult het in. Hoe ik denk of voel, wordt ingevuld door anderen. Sinds ik een trans vrouw ben, is het alsof ik een stukje eigendom van anderen ben geworden. We spreken nu over trans mensen, maar je ziet hetzelfde bij homoseksualiteit en evengoed bij hoe migranten hier leven, denken en werken. Dat vullen wij ook in.”
Piet: “Dat wordt gevoed vanuit een politiek-ideologische onderstroom. Dat mogen we niet onderschatten. Die is wijdverspreid: van Rusland, over Polen, in extreemrechtse kringen, tot in Amerika. Ook evangelische bewegingen spelen daarin een rol, bijvoorbeeld in Afrika. Het idee leeft sterk dat wat we niet kennen, we moeten demoniseren en uit de maatschappij bannen. Dat geheel is ook financieel zeer sterk. Er is een grote Europese studie die die geldstromen heeft blootgelegd: het gaat over miljarden dollars. Op individueel niveau voelt het persoonlijk, maar maatschappelijk gaat het over veel meer. Het is een zeer sterke stroom.”
In die kringen poneert men: het transgedachtegoed wordt vandaag opgedrongen.
Winne: “Hoe kan je zoiets opdringen? Als ik naar mijn eigen verhaal kijk: dat is iets waar ik jaren mee geworsteld heb. Ik ben over een periode van 15 jaar naar drie verschillende psychiaters gegaan voordat ik in het UZ Gent terechtkwam. In dat traject werd mij eerder voorgehouden dat ik mij misschien vergiste. Dat dacht ik zelf ook: dat het misschien een bevlieging was. Er werd ook gezegd: besef dat je onderaan de ladder in de maatschappij kan terechtkomen. Ik ben echt voorbereid: het gaat niet gemakkelijk zijn, het gaat niet plezant zijn en je doet jezelf iets aan. Je kan dus niet zeggen dat ik gestimuleerd ben om trans vrouw te worden. Maar als je voelt dat het zo diep in je zit, dan lijkt de prijs die je moet betalen logisch.”
Piet: “Men noemt dit een genderideologie. Men zegt ook dat kinderen worden aangeleerd om trans te zijn, net alsof ze homoseksueel of lesbisch zouden kunnen worden gemaakt. Terwijl er voldoende wetenschappelijk materiaal is om aan te tonen dat dit helemaal geen ideologie is, dat er niets wordt aangeleerd en dat het veel complexer is. Met dit boek proberen we zoveel mogelijk informatie te geven om daartegenin te gaan.”

Ter opheldering: iemand met genderdysforie* trekt naar het UZ Gent. Wat gebeurt er daar?
Piet: “Om te beginnen is er een wachtlijst. Die is te lang, dat is nog een probleem.
Je start dan eerst bij een psycholoog. Die gaat je niet zomaar bevestigen, maar je verhaal in vraag stellen en onderzoeken. Pas na voldoende sessies en een duidelijke diagnose wordt gedacht aan hormoontherapie. Crosshormonen kunnen vanaf zestien jaar, chirurgie vanaf achttien. Er zijn uitzonderingen geweest, maar vandaag wacht men vrijwel altijd tot achttien. Het traject is dus bedoeld om te onderzoeken en te begeleiden. En ook na de transitie blijft ondersteuning belangrijk.”
Welke rol spelen puberteitsremmers?
Piet: “We worden continu gebasht over puberteitsremmers bij jongeren. Mijn socials staan vol met ‘de grote kinderverminker die zijn businessmodel uitbuit’, wat absoluut niet waar is.
In het UZ Gent krijgt ongeveer 12% van de jongeren puberteitsremmers. Dat is niet om de uiteindelijke uitkomst te verbeteren, maar om calamiteiten zoals suïcide te vermijden. Sommige jongeren ervaren de puberteit als extreem dysforisch. Een trans jongen die begint te menstrueren of een trans meisje dat begint te ejaculeren: dat voelt zeer atypisch. Sommigen gaan daar mentaal onderuit en hebben suïcidale gedachten. In die gevallen kan men de puberteit tijdelijk stilleggen en vanaf zestien jaar crosshormonen geven. Het verhaal dat kinderen verminkt worden en levenslang beschadigd worden, is dus fout en moet de wereld uit.”
Hoeveel mensen ervaren genderdysforie?
Piet: “Ongeveer 1% van de mensen ervaart genderdysforie, in verschillende vormen. Niet iedereen gaat in volledige transitie. Sommigen ondergaan een gedeeltelijke transitie, wat vandaag gelukkig kan. De Belgische wetgeving is in 2018 veranderd. Vroeger moest je alle chirurgie ondergaan hebben om je geslacht op je identiteitskaart te wijzigen. Dat is afgeschaft, maar wordt nu opnieuw bekritiseerd. Men beweert dan dat mannen naar het gemeentehuis trekken, hun geslacht aanpassen om in vrouwenkleedkamers naar borsten te gaan kijken. Zo werkt het natuurlijk niet.”
Wat zeggen de cijfers over mensen die hun transitie willen terugdraaien?
Piet: “Het probleem zit bij mensen die niet in dat traject gaan: die hormonen online kopen of naar Thailand vliegen voor chirurgie. Je kan veel zeggen over zelfbeschikkingsrecht, maar die filter van goede diagnostiek is belangrijk. Er moet iemand kijken: is wat je voelt ook echt wat je denkt dat het is? Ik kan me voorstellen dat jongeren soms in een tunnel terechtkomen. Daarom zijn checks and balances door gespecialiseerde mensen belangrijk.”
Winne: “Ik zit op één of twee fora en daar lees je wel wat. Soms hou ik mijn hart vast voor de onzorgvuldigheid waarmee mensen omgaan met hun traject en het strikte denken dat je daar soms ziet.”
Piet: “De cijfers zijn duidelijk: in centra met degelijke diagnostiek is er minder dan 1% detransitie. Bij mensen die zelf een parcours doen kan dat oplopen tot 30%. Die kleine groep wordt dan uitvergroot om te zeggen: zie je wel, ze vergissen zich. Dat is die disproportie, opnieuw gevoed door die ideologische onderstroom.”
Piet Hoebeke: “Geen enkele van de twaalf personen uit het boek heeft een probleem met zichzelf. Ze botsen op een maatschappij die een probleem heeft met hen. Dat is de kern: waar bemoeit ge u in godsnaam mee?”
Even over jouw verhaal, Winne. Wanneer voelde je voor het eerst: dit lichaam past niet bij mij?
Winne: “Toen ik vier jaar was, speelde ik verkleedspelletjes met mijn zus en wilde ik altijd het meisje zijn. Dat werd mij niet opgelegd, dat zat in mij en dat gevoel is altijd gebleven.”
Had je toen rolmodellen waaraan je je kon spiegelen?
Winne: “Wat vond je toen over transseksualiteit? Dat was allemaal zeer obscuur, ook in wetenschappelijke zin. Het kwam nauwelijks in de media. Eén van de eerste voorbeelden werd gebracht door Paul Jambers. Ongetwijfeld een sympathieke man die zijn best deed. Maar dat voedde ook het idee van abnormaliteit, van aan de rand van de maatschappij staan.
Je had geen voorbeelden. Achterafgezien zijn er wel mensen mij voorgegaan, maar ik kende die niet en je vond daar ook niets over. Het werd doodgezwegen, weggeschoven.”
Piet: “Je wist: dit overkomt mij. Maar er waren geen sociale media, geen voorbeelden. Vandaag voelt 20% van Gen Z zich lgbtqia+, een groot deel daarvan biseksueel. Men noemt dat een plaag, maar dat is het niet. Mensen kunnen zich gewoon beter identificeren. Vroeger moest je alles zelf ontdekken. Nu hebben jongeren voorbeelden en vergelijkingsmateriaal. Dat maakt dat ze zichzelf beter kunnen begrijpen. Maar dat percentage zal niet stijgen: die 20% is een natuurlijke grens.”

Wat was voor jou het kantelpunt om in transitie te gaan?
Winne: “Op een bepaald moment moet je vooruit. Ik probeerde dat stuk van mezelf af te schermen. Toen ik geneeskunde studeerde, heb ik dat volledig weggestopt. De eerste aan wie ik het vertelde, nog voor we trouwden, was Liesbet, mijn echtgenote. Zij wist dat er een vrouwelijke kant was, maar daar bleef het bij.
Tot op een bepaald punt. Ik kon ’s nachts niet meer slapen. Ik sliep nog amper vier uur. Chaos. Ik was constant bezig: vrouw-man, vrouw-man. We waren op reis met de kinderen en hadden een appartement aan zee op de negende verdieping. Drie nachten lang stond ik buiten: spring ik of spring ik niet? Niet springen betekent veranderen en verantwoordelijkheid nemen. Wel springen betekent rust. Dat was de trigger.
Je kan dat niet blijven wegsteken. Op een bepaald moment komt het naar boven en moet je er iets mee doen. Ik ben uiteindelijk bij een goede therapeut terechtgekomen en kon weer vooruit. Ik leefde gewoon tegen 300 kilometer per uur, gewoon door de onrust.”
Piet: “Het belangrijkste is aanvaarding, zeker door ouders. Mensen die thuis buiten gegooid worden, belanden in armoede en uitsluiting. Als ik lezingen geef, zeg ik altijd: stel dat je kind of kleinkind zegt ‘ik ben homoseksueel’ of ‘ik ben trans’, gooi die niet buiten, maar omarm dat.”
Jij kreeg wel de steun van je gezin?
Winne: “Pas op, ons huwelijk heeft op springen gestaan. Het is niet vanzelfsprekend. Zelfs na tien jaar zijn we ons huwelijk nog altijd aan het herdefiniëren. We zijn 32 jaar getrouwd, hebben kinderen en kleinkinderen. We hebben samen moeilijke dingen doorgemaakt en delen nog altijd veel. Die relatie is anders, maar dat is bij veel koppels zo na zo’n lange tijd.
Wat je ziet, is dat vooral anderen daar iets van maken. Zij stellen zich vragen en leggen druk op je relatie. Als mensen zich er niet mee zouden moeien en gewoon zouden zeggen ‘het is wat het is’, zou dat voor mijn partner makkelijker zijn. Ik voel mij schuldig tegenover haar en de kinderen. Maar voor de kleinkinderen ben ik gewoon bomma: ze hebben mij nooit anders gekend.”
Had jouw transitie impact op je werk?
“Ik heb het voordeel gehad dat ik op een moment kwam waarop er al iets meer openheid was. Dat maakte het mogelijk om mijn job te behouden. Als ik nu kijk, is dat weer moeilijker. Je vindt meer informatie, maar je voelt minder openheid. Er worden bijna systematisch vragen bij gesteld.
Nu, ik heb wel vals gespeeld: op het werk heb ik samen met de vertrouwenspersoon een transbeleid uitgewerkt en daarna gezegd dat het voor mij was. Ik had die mogelijkheid, maar veel mensen hebben die niet. Als je die mogelijkheid hebt: gebruik ze.
Ik heb het voordeel dat het voor mij professioneel weinig heeft veranderd. Ik heb er zelfs morele autoriteit door gewonnen, door gewoon eerlijk te zijn. Maar je moet dat wel voorbereiden. Je kan niet verwachten dat anderen op drie dagen dezelfde klik maken als jij na twintig of vijfentwintig jaar. Je moet mensen daar tijd voor geven.”
Winne Haenen: “Maak er geen groot spektakel van. Het is maar dat. Ik had evengoed een been kunnen verliezen, dat was veel ingrijpender geweest.”
Je eerste werkdag als trans vrouw was 22 maart 2016, de dag van de aanslagen.
Winne: “Ik kwam aan in het UZ Gent voor mijn laatste consultatie en werd gebeld: er was een probleem in Zaventem. Ik heb mijn zwaailicht opgezet en ben vertrokken. Mijn collega’s waren op de hoogte, maar het was de eerste keer dat ik als vrouw in mijn functie werkte.
Niemand stelde daar vragen bij. Het ging om mensen helpen. Dat is wat telt. In de namiddag zei iemand: ‘Ik dacht dat het niet echt was, maar het was dus wel echt.’ Meer was dat niet.
Men verwacht dat ik mijn job doe, dat ik mensen help. Hoe ik eruitzie, maakt niet uit. Daar word je op afgerekend, en dat is hoe het moet.”
Wat was jouw motivatie om mee te werken aan dit boek?
Winne: “Als ik naar mezelf kijk, vind ik dat ik verplicht ben om in zo’n boek te staan, omdat ze mij niet meer kunnen raken. Oké, men kan mij nog altijd in een concentratiekamp steken. Maar ik heb mijn leven gehad, iets opgebouwd. Iemand van dertig, die nog een hele weg moet afleggen, heeft er misschien belang bij om niet het label ‘trans vrouw’ te dragen. Ik ken trans vrouwen die van job veranderen, alles veranderen uit schrik om ‘ontmaskerd’ te worden. Dat toont hoe zwaar dat weegt.”
Piet: “Trans personen hebben altijd bestaan. Het is van alle tijden. Er zijn ook altijd activisten geweest. Ik hoop dat we naar een maatschappij evolueren waar dat niet meer nodig is. Ik dacht dat die strijd voor homoseksualiteit gestreden was, maar dat blijkt niet zo. Trans mensen zijn nu het eerste dominosteentje. Daarna volgen homo’s, lesbiennes en vrouwen. Je ziet dat nu al, met ideeën zoals ‘de vrouw terug aan de haard’. Dat is een gevaarlijke maatschappelijke trend.”
Tot slot. Welk misverstand willen jullie nog de wereld uit helpen?
Winne: “Maak er geen groot spektakel van. Het is maar dat. Ik had evengoed een been kunnen verliezen, dat was veel ingrijpender geweest. Men maakt het groter omdat het als vreemd wordt gezien. Daardoor wordt het opgeklopt en in een sfeer van abnormaliteit geplaatst. Terwijl het eigenlijk gewoon variatie is, zoals mensen met blauwe of bruine ogen.”
Piet: “De essentie is: het zijn uw zaken niet. Waar bemoeit ge u mee? Laat mensen zijn wie ze willen zijn. Mensen zijn perfect in staat om zelf te bepalen wie ze zijn. Waarom moet de maatschappij daar normatief over doen? Dat is de echte vraag. Et alors?”
*(Gender)dysforie: Diep onbehagen omdat lichaam, naam, stem of sociale rol niet stroken met de innerlijke genderidentiteit.
Trans… et alors? van Piet Hoebeke, Marijke Libert en Lieve Blancquaert verscheen op 24 maart 2026 bij Pelckmans. Op 31 maart, de Internationale Dag van Transgendervisibiliteit, wordt het boek voorgesteld in de Minard in Gent.
Een selectie van de beelden van Lieve Blancquaert zijn te bewonderen in de serres van het Gents Universiteitsmuseum & Plantentuin.
Wij gebruiken cookies om onze website goed te laten functioneren en om inzicht te krijgen in het gebruik van de site. Door op "Accepteren" te klikken geef je toestemming voor het gebruik van alle cookies. Je kunt je voorkeuren op elk moment aanpassen.