Interview
Joke Goovaerts en Dimitri De Smet
Vier decennia lang bewoog Hans Claus (64) zich op het snijvlak van twee werelden die zelden met elkaar worden verbonden: de kunst en de gevangenis. In zijn recent verschenen Memoires van een gevangenisdirecteur blikt hij terug op een loopbaan die in 1986 begon en hem maakte tot een van de meest eigenzinnige en invloedrijke stemmen in het Belgische gevangeniswezen.
Van binnenuit zag Claus hoe een systeem dat beweert mensen te corrigeren vaak net het tegenovergestelde bereikt. Overbevolking, geweld, bureaucratie en verouderde infrastructuur maakten volgens hem van de gevangenis een instelling die al decennialang voorbij haar houdbaarheidsdatum is. Toch schreef hij zijn memoires niet uit verbittering. Integendeel. Het boek getuigt van een opmerkelijke combinatie van eerlijkheid, betrokkenheid en hardnekkig geloof in verandering.
“De kunst en de gevangenis vormen voor mij een soort tweecomponentenlijm. Het pakt gewoon,” schrijft hij. Die spanning tussen creativiteit en opsluiting loopt als een rode draad door zijn leven. Claus voelde zich nooit helemaal thuis in de gevangenis, waar hij vooral kunstenaar bleef, maar evenmin in de kunstwereld, die moeilijk begreep waarom hij zich vrijwillig onderdompelde in wat hij de “vergeetput van de samenleving” noemt.
Uit die voortdurende confrontatie met de grenzen van het klassieke strafdenken groeide zijn visie op detentiehuizen: kleinschalige, mensgerichte plekken die niet isoleren, maar voorbereiden op terugkeer, verantwoordelijkheid en herstel. Als mede-oprichter van vzw De Huizen en rescaled werd hij een van de belangrijkste pleitbezorgers van een fundamenteel andere benadering van detentie. Wat ooit als naïef idealisme werd weggezet, wint vandaag steeds meer terrein.
In het huisvandeMens Ronse ontmoeten we een man die met een creatieve blik naar de wereld kijkt. Een gesprek over gevangenissen, maar ook over de vraag wat voor samenleving we willen zijn. Want zoals Hans Claus het formuleert: “als ik iets wil betekenen voor mensen, dan voor degenen voor wie niemand nog iets wil doen”
Je bent niet alleen jarenlang gevangenisdirecteur geweest, maar ook beeldhouwer, schilder en schrijver. Hoe kijk je vandaag terug op dat dubbelleven?
Wel, ik heb me eigenlijk nooit ergens echt thuis gevoeld. Niet in de gevangenis, omdat ik me daar vooral artiest voelde, maar ook niet in de kunstenaarswereld, waar men soms moeilijk begreep dat ik bewust voor een maatschappelijke rol in het strafrecht had gekozen. Creatieve en vrije gedachten worden daar niet altijd geapprecieerd. Hoe ik daarop reageer? Door mezelf te blijven. Ik heb me nooit volledig moeten identificeren met het ene of het andere. Die spreidstand zorgde voor een permanent spanningsveld, maar dat houdt een mens ook gaande.
Waarom heb je voor het gevangenissysteem gekozen?
Daar zijn verschillende redenen voor. Thuis was er een nonkel die ooit gevangenisdirecteur was. Ik heb hem nauwelijks gekend, hij stierf jong, maar mijn moeder sprak altijd over hem als iemand die het ‘gemaakt’ had. Als jonge knaap word je dan toch een beetje vergiftigd door die verwachtingen. Daarnaast was er de sfeer op het college: het idee dat je geroepen bent om iets te betekenen in de wereld. Die twee elementen samen hebben ervoor gezorgd dat ik al rond mijn zeventiende dacht: als ik iets wil betekenen voor mensen, dan voor degenen voor wie niemand nog iets wil doen. Dat is een gedachte die misschien christelijk klinkt, maar eigenlijk ook heel humanistisch is. We zijn sociale wezens. We krijgen betekenis door iets voor anderen te betekenen. Ik wilde erkenning geven aan mensen die nergens anders nog erkenning kregen. Zo viel de puzzel al vroeg in elkaar: ik zou gevangenisdirecteur worden. Natuurlijk moet je dan nog slagen voor de examens, en moet er een vacature zijn… maar dat is allemaal op het juiste moment samengekomen. Daardoor kon ik ook heel jong beginnen.
In het laatste deel van mijn loopbaan heb ik vooral tegen de achteruitgang moeten werken. Overbevolking, personeelstekort, activiteiten die wegvielen… Een malaise die alleen maar groter werd.
Je kwam in 1986 binnen in de gevangenis. Veertig jaar later: hoe kijk je terug op dat systeem? Was het toen al achterhaald?
Als ik terugkijk: ja, het systeem was toen al achterhaald. Maar men was zich daar toen méér van bewust dan vandaag. Het gaat niet alleen over het systeem zelf, maar ook over de samenleving errond. En die samenleving is de voorbije veertig jaar enorm veranderd. Ik ben opgegroeid in een tijd waarin de sociale zekerheid werd uitgebouwd. Onze ouders zeiden ons dat wij het beter zouden hebben dan zij, dat er altijd een opvangnet zou zijn, dat mensen voor elkaar zorgden. Vergelijk dat met het huidige discours: iedereen moet voor zichzelf zorgen, het leven is voor de ‘rappen’. Dat maatschappelijke kantelen heeft ook de manier waarop we naar gevangenissen kijken beïnvloed. In de eerste tien jaar van mijn carrière werkten we, samen met collega’s, in een sfeer waarin we de gevangenis wilden openbreken. We wilden de samenleving naar binnen halen: voorzieningen, hulpverlening, expertise. We wisten uit criminologisch onderzoek dat criminaliteit niet uit de lucht valt, dat er vaak een voorgeschiedenis is van sociale achterstelling, psychologische problemen, noem maar op. Tijdens detentie moest je dus inzetten op die onderliggende problemen. Maar eind jaren 90 is dat beginnen kantelen, zeker na de zaak Dutroux in 1996. De samenleving die ooit als deugddoend werd ervaren, werd steeds meer voorgesteld als een wolvenkuil. In het laatste deel van mijn loopbaan heb ik vooral tegen de achteruitgang moeten werken. Overbevolking, personeelstekort, activiteiten die wegvielen… Een malaise die alleen maar groter werd.
In jouw memoires botsen idealisme en realiteit voortdurend. Wat was het moment waarop je het sterkst voelde: “het systeem wint het van de mens”?
Van binnenuit blijkt het bijzonder moeilijk om weerwerk te bieden. Wij ontvangen simpelweg de gedetineerden die ons worden toevertrouwd. We hebben geen numerus clausus, geen quota zoals andere instellingen die wél grenzen stellen om kwaliteit te bewaken. De kwaliteit van detentie en het respect voor onze penitentiaire deskundigheid, die we doorheen de jaren hebben opgebouwd, worden in de brede samenleving nauwelijks erkend. Daar leeft nog altijd het idee dat opsluiting gewoon opsluiting is: mensen in leven houden, wat medische zorg voorzien, en verder hoeft er niets /te gebeuren.
Dat idee komt voort uit het oude model van individuele cellen. Het model van Ducpétiaux, isoleren om te bezinnen en als betere burger terug naar buiten, heeft nooit gewerkt?
Nee. Dat wisten we al in de jaren zestig en zeventig: de mens wordt niet beter van isolatie. Integendeel, hij wordt gedehumaniseerd. Mensen hebben sociale relaties nodig, onderwijs, creativiteit, perspectief. Maar de architectuur van de gevangenis blijft het oude verhaal vertellen, architectuur parlante: ze toont dat straf gelijkstaat aan opsluiting, terwijl dat allang niet meer klopt.
De gevangenis is bijna opnieuw een middeleeuwse kerker geworden. In vergelijking met de negentiende eeuw zijn we er zelfs op achteruitgegaan.
Toen wij criminologie studeerden, dachten we zelfs dat de gevangenis zou verdwijnen, omdat ze haar verwachtingen niet inloste. Het idee dat iemand via eenzame opsluiting, bezinning en gebed zou regenereren van ‘slechte’ naar ‘goede’ mens, bleek gewoon fout. Daarom wilden we inzetten op sociale relaties en voorzieningen uit de samenleving naar binnen halen. Alleen is het systeem daar totaal niet voor gebouwd. En in de hoofden van mensen blijft dat oude beeld hangen.
Ondertussen is het zelfs geen eenzame opsluiting meer: vandaag zitten mensen met twee of drie op een cel. In plaats van een verheven moreel project is de gevangenis bijna opnieuw een middeleeuwse kerker geworden. In vergelijking met de negentiende eeuw zijn we er zelfs op achteruitgegaan.
En dan kwam het idee van detentiehuizen. Je stond mee aan de wieg van De Huizen en RESCALED. Is dat de toekomst? Want voorlopig gaat het maar om een klein aantal gedetineerden.
Ik zeg altijd: alle gedetineerden kunnen in detentiehuizen terecht.
Maar dat is natuurlijk een lange weg.
Uiteraard. Net zoals het een lange weg was om van lijfstraffen naar gevangenissen te evolueren. Dat heeft ook decennia geduurd. Zo’n verandering raakt aan alles: het mensbeeld, het maatschappijbeeld, de sociaaleconomische verhoudingen, de cultuur rond straf. Maar als je die ideeën kunt vormgeven in stenen, in architectuur, dan krijgt dat een enorme kracht. Het beeld helpt om nieuwe ideeën over mens, straf en samenleving te verankeren. Er zijn nu acht detentiehuizen in werking, een negende komt eraan. Het gaat eigenlijk veel sneller dan ik ooit had durven dromen. Ja, het blijft voorlopig marginaal, zo’n 250 gedetineerden op 13.500, maar de open inrichtingen die we vroeger hadden, zoals Hoogstraten en Ruiselede, herbergden bijna de helft minder gedetineerden dan de huizen nu. In tien jaar tijd hebben we al het dubbele gerealiseerd van wat er ooit bestond. En het dubbele daarvan zit nog in de pijplijn, binnen deze legislatuur zelfs. In de Commissie Justitie wordt nu al nagedacht over de volgende stappen. We gaan verder op dit spoor. En dat heeft ook te maken met een paradox: de gevangenissen worden steeds meer middeleeuwse kerkers, en daardoor groeit de weerstand ertegen. Die weerstand valt samen met een bredere weerstand tegen een samenleving die steeds harder wordt, tegenover vluchtelingen, tegenover mensen in armoede, tegenover wie uit de boot valt. Zoals het schavot ooit het symbool was van de feodale samenleving, zo wordt de klassieke gevangenis het symbool van een samenleving die we uiteindelijk zullen afzweren. En dan zal de omslag naar detentiehuizen veel sneller gaan. Wij staan klaar.
Wat hoop je dat lezers na uw boek nooit meer vanzelfsprekend vinden?
Ik hoop vooral dat de lezer zijn oordeel over gedetineerden en over straf een beetje bijstelt. Dat hij leert relativeren. Onbekend is onbemind, en weinig mensen verdiepen zich echt in wat detentie betekent. In dit boek vertel ik veertig jaar wedervaren in een vertelstijl die mensen meeneemt, zodat ze niet alleen kunnen zien, maar ook begrijpen en een beetje voelen dat er veel meer is dan simpelweg opsluiten en klaar. Als dit boek bijdraagt aan een mentaliteitswijziging, dan heb ik mijn steentje daaraan bijgedragen.
Je bent ook de bezieler van De Verklaring van 30 november. Is dit een moreel appel, een uitnodiging om na te denken over samenleving, kwetsbaarheid en verantwoordelijkheid?
Voor mij staat het ultimum remedium nooit los van de samenleving errond. Het viel ons op dat het idee van detentiehuizen plots wél aansloeg, terwijl men altijd zei dat niemand daarop zat te wachten. Dat zette ons aan het denken: dit gaat verder dan een penitentiaire hervorming. We hebben met experts uit diverse domeinen gezocht naar de wortels van het maatschappelijk onbehagen. Welk onvervuld verlangen schuilt daarachter? Wat verwachten we nog van onze samenleving? Uit die gesprekken zijn zes krijtlijnen voortgevloeid: een verwoording van het verlangen naar de samenleving die we willen worden. Het zijn zes omkeringen van dominante waarden die samen een nieuw waardekader vormen.
Zingeving draait om erkenning krijgen én erkenning geven. Dat is de kern van alle overtuigingen
Zijn de vrijzinnig humanistische waarden hierbij een moreel kompas?
Voor mij gaat het terug op iets heel fundamenteels, los van welk geloof of mensbeeld je hebt. Ik ben christelijk opgevoed, maar ik spreek met iedereen, en telkens zie ik hetzelfde: de mens is een sociaal wezen. Zingeving draait om erkenning krijgen én erkenning geven. Dat is volgens mij de kern van alle overtuigingen.
Dat is ook jouw motivatie om met gedetineerden te werken.
Ja. En het was niet alleen mijn motivatie, het was ook mijn vreugde. Zelfs in een aftands, volledig uit de tijd gevallen strafsysteem, een systeem waar niemand eigenlijk nog thuishoort, kon je toch vreugde vinden. Door gewoon te luisteren naar iemand die niet verwacht dat iemand naar hem luistert. Kijk naar Gaza of andere oorlogsgebieden. We vragen ons soms af hoe mensen daar blijven volhouden. Waarom ze niet collectief opgeven. Maar ze doen dat niet, omdat ze elkaar voortdurend de vreugde van erkenning geven. Zelfs in rouw: erkenning geven aan het verdriet van een ander, erkenning krijgen voor je eigen verdriet. Dat is de essentie van wie wij zijn. Noem het vrijzinnig humanisme, noem het iets anders: erkenning geven en krijgen, dat is wat ons tot sociale wezens maakt.

Memoires van een gevangenisdirecteur, uitgegeven bij Borgerhoff & Lamberigts, in samenwerking met Kwintessens.
Lees en onderteken: www.novemberverklaring.eu
Lees hier meer artikels over de gevangenis
Wij gebruiken cookies om onze website goed te laten functioneren en om inzicht te krijgen in het gebruik van de site. Door op "Accepteren" te klikken geef je toestemming voor het gebruik van alle cookies. Je kunt je voorkeuren op elk moment aanpassen.