Opinie Jurgen Slembrouck: Blijft “God” nog lang een excuustruus?

Opiniestuk verschenen op VRT NWS

Jurgen Slembrouck en Jürgen Mettepenningen schrijven beurtelings om de twee weken een opinietekst over wat hen opvalt in nieuws of in het dagelijkse leven. De eerste Jurgen vanuit vrijzinnige inspiratie. De tweede is christelijk geïnspireerd. Deze week is  Slembrouck aan het woord.

Jurgen Slembrouck werkt bij de Vrijzinnige Dienst van de Universiteit Antwerpen.

 

Minister Kris Peeters zal zich het interview met Terzake-journaliste Annelies Beck nog lang heugen. Ze legde pijnlijk de vinger op de wonde die voor heel Vlaanderen zichtbaar was geworden. “Ik heb u nog maar zelden zo zoekend gehoord.” Beck was niet de enige die zich verbaasde over het amateurisme waarmee Kris Peeters te werk was gegaan. “Het verwondert mij dat CD&V dit zo klungelig heeft aangepakt” liet professor Patrick Loobuyck optekenen in De Morgen.

Peeters’ plan zag er op papier mooi uit. “Voor de eerste keer wil een orthodoxe Jood zich politiek engageren” en daarom had hij Aron Berger de negende plaats op de kieslijst aangeboden. Even leek het zelfs alsof er geen opportunisme mee gemoeid was.

Maar toen raakte bekend dat Jahwe, de God van meneer Berger, het hem verbiedt om vrouwen de hand te schudden. Jahwe vindt vrouwen die menstrueren namelijk onrein en iedereen die met hen in aanraking komt is dat ook. Meneer Berger denkt dus wel twee keer na voor die een onbekende vrouw de hand schudt.

Zelfs bij CD&V, waar Gods gebod naar verluidt nog enig belang heeft, vonden ze de reserves van meneer Berger een brug te ver en voelden ze aan dat hun godsdienstige en hun Vlaamse identiteit met elkaar op ramkoers lagen.

De modale Vlaming ervaart het weigeren van een uitgestoken hand immers als uitermate respectloos en zou maar weinig begrip kunnen opbrengen voor Jahwes smetvrees.

Het gevolg liet zich raden, de druk op Peeters werd opgevoerd en daags na het interview liet Aron Berger weten niet langer kandidaat te zijn.

De commotie over het weigeren van een handdruk is bijzonder interessant, ze leert ons drie dingen. In de eerste plaats dat samenleven in diversiteit veel minder evident is dan sommigen willen laten uitschijnen. Maar ook dat een samenleving door meer dan alleen maar rechtsregels bij elkaar wordt gehouden. En ten slotte dat goddelijke geboden steeds minder erkend worden als een respectabele basis om uitzonderingen toe te staan.

 

Hoe super is de diversiteit?

Een stad als Antwerpen telt meer dan 170 verschillende nationaliteiten. Stel dat die er allemaal verschillende begroetingsrituelen op na houden en gelijk respect voor die rituelen opeisen. Hoe moet je elkaar dan begroeten? Heb je dan nog het recht om de gebruikelijke, sommigen verkiezen “witte”, omgangsvormen in acht te nemen?

In sommige stadsdelen is de segregatie dermate uitgesproken dat er eerder sprake is van monoculturaliteit in plaats van multiculturaliteit. Kort na de affaire Berger raakte bekend dat er een overeenkomst bestaat tussen de chassidische joodse gemeenschap en publiciteitsbedrijven om geen reclame voor lingerie in het straatbeeld te hangen. De Joodse gemeenschap organiseert zo haar eigen getto.

Wat is het ergste? In een getto opgesloten worden of er in geboren worden? Isolement uit dwang of uit liefde?

Volgens het gelijkekansencentrum UNIA zitten we vandaag “in een confrontatiemaatschappij, waarin meer mensen geneigd zijn zich op te sluiten in zijn of haar gemeenschap. Het samenleven wordt zo bedreigd.” Samenleven in diversiteit blijkt inderdaad minder eenvoudig dan ze wenselijk is. De balkanisering van de samenleving groeit ons stilaan boven het hoofd.

 

Wat zegt de wet?

Hoewel het niet voor het eerst is dat er over dit onderwerp commotie ontstaat, heeft het in eigen land nog niet geleid tot een rechtszaak. In Nederland zijn er wel precedenten die een interessant licht werpen op het belang van handen schudden. In 2006 wees de gemeente Rotterdam een sollicitant af voor de functie van klantmanager omdat hij als orthodoxe moslim weigerde om vrouwen een hand te geven.

De sollicitant voelde zich beperkt in zijn godsdienstvrijheid en vocht de beslissing aan.Wat, zo vroeg de rechtbank zich terecht af, als de burger bij de begroeting het initiatief neemt “en de situatie ontstaat dat de klantmanager weigert een door de klant uitgestoken hand te schudden, zonder dat daarvoor een aanwijsbare fysieke – of anderszins objectieve – oorzaak is. Dit zal door veel mensen in de Nederlandse samenleving als kwetsend en beledigend worden ervaren. Dit acht het hof onaanvaardbaar, juist ook omdat de klant de confrontatie met dit gedrag niet uit de weg kan gaan.”

Uit de motivering van de rechtbank wordt duidelijk dat de neutraliteit van de overheid niet gewaarborgd wordt door om het even welke begroetingsvorm toe te laten, maar wel door de gangbare sociale omgangsvormen als uitgangspunt te hanteren.

In het geval van de heer Berger liggen de zaken duidelijk anders. Hij ambieerde geen functie als ambtenaar en er is geen wet die mensen verplicht om uit eigen beweging iemand de hand te schudden.

Maar stel dat hij verkozen raakt, een ambt zou vervullen en een vrouw hem de hand reikt? Zou een weigering dan niet in strijd zijn met de seksimewet die sinds 22 mei 2014 van kracht is? Volgens professor Liesbet Stevens verbonden aan het Instituut voor de gelijkheid van Vrouwen en Mannen alvast wel:

“Wie weigert iemands hand te schudden op basis van diens geslacht en vermeende ‘onreinheid’ of ‘minderwaardigheid’ van personen van dat geslacht, pleegt naar onze mening een inbreuk op de seksismewet.” (De Standaard 26/04/2018)

 

Wat leert de geschiedenis?

Historisch onderzoek van professor Herman Roodenburg laat zien dat we het gebruik om elkaar de hand te schudden als begroetingsritueel met zekerheid kunnen traceren tot de zestiende eeuw. Hij wijst ook op de betekenis van de handdruk als teken voor “vriendschap, broederschap, vrede, verzoening, akkoord of wederzijdse overeenstemming”.

Die betekenis is veel ouder en gaat terug tot de klassieke oudheid. Iemand de hand drukken betekent dan ook meer dan alleen maar iemand begroeten. Denk ter illustratie aan de handdruk tussen Yitzhak Rabin en Yasser Arafat, of dichter bij huis die tussen Theo Francken en de Soedanese ambassadeur.

Die symbolische gelaagdheid van de handdruk is van belang om de commotie over de kandidatuur van meneer Berger te begrijpen.

Fernand Keuleneer vergist zich wanneer hij in zijn opiniestuk over deze affaire schrijft dat “er geen enkele tegenstrijdigheid met de wetten van het land, en ook niet met de “waarden” van een cultuur” is.

In tegenstelling tot wat Fernand Keuleneer beweert houdt de weigering om een vrouw de hand te schudden verband met iets veel fundamentelers dan alleen maar een verschil in “stijl”.

In het geding is weldegelijk een opvatting die sinds de Verlichting dominant is geworden, namelijk de principiële gelijkwaardigheid van man en vrouw. De waardigheid van een vrouw en een man is niet afhankelijk van hun geslacht maar van het feit dat zij als mens zelfbewustzijn hebben en daardoor over zichzelf kunnen beschikken.

Het godsgeloof van meneer Berger staat daar haaks op en reduceert de vrouw tot haar geslacht en de onreinheid die ermee in verband wordt gebracht.

 

God als excuustruus

Het is betekenisvol dat uitgerekend CD&V, die steeds de mond vol heeft over de waarde van het godsgeloof en respect eist voor de gebruiken van gelovigen, Aron Berger aan de kant schuift. Het geeft aan dat een confessionele partij die zich in het centrum wil ophouden, het zich niet kan veroorloven de centrale positie van de mens als zingever te loochenen. Qua reality check kan dat tellen.

Dieperliggend wijst het op de paradox die eigen is aan het multiculturalisme. Op basis van de vermeende gelijkwaardigheid van culturele gebruiken, eist het respect voor de verschillen die tussen die gebruiken bestaan.

Denk in dit verband aan de uitspraak van Els Keytsman, directeur van UNIA, over de weigering van schepen Alain Courtois om een huwelijk af te sluiten omdat de bruid hem niet de hand wou schudden: “Beweren dat er maar één goede manier is om iemand te begroeten en om respect te tonen getuigt van etnocentrisme, alleen kijken naar je eigen cultuur. In sommige landen bestaat de gewoonte niet om elkaar de hand te drukken en dat betekent in geen geval dat men daar respectloos met elkaar omgaat. Respect tonen gebeurt er gewoon op een andere manier.”

We begrijpen ondertussen waarom Keytsman zich vergist. Respect betonen voor vrouwen op islamitische of joodse gronden door hen een handdruk te weigeren is niet hetzelfde als respect betuigen op humanistische gronden door hen een handdruk te geven.

“God als excuustruus om uitzonderingen op de wet af te dingen krijgt het steeds moeilijker.”

In het ene geval wordt ze gereduceerd tot vrouw, in het andere wordt ze opgetild tot mens.

Zoals gezegd is het de mens en niet God, Allah of Jahwe die binnen een seculiere rechtsorde centraal staat. God als excuustruus om uitzonderingen op de wet af te dingen krijgt het steeds moeilijker. Steeds meer krijgt hij zo de plaats die hij verdient. Die van ‘gans andere’, die buiten de wereld staat en stilaan oplost in de nevelen van de tijd.

Voor schapen, clitorissen, voorhuiden, lijdende mensen en vooral vrouwen is dat een goede zaak. Voor Aron Berger is het dat helaas niet.