‘Is moslimfeminisme een antwoord op cognitieve dissonantie?’

Jurgen Slembrouck, Vrijzinnig Dienst Antwerpen ©Liza Janssens

Het is moeilijk om te begrijpen hoe uitgerekend het dragen van een hoofdoek moet worden begrepen als een overtuigend middel om tegen het islamitische geloof en de islamitische traditie te strijden’, schrijft Jurgen Slembrouck.

Artikel verschenen op knack.be

foto©schutterstock

Op het internationaal documentaire filmfestival Docville werd ‘Right between your ears’ getoond. Een film over een groep mensen die gelooft dat op 21 mei 2011 het einde der tijden zal plaats hebben. Dankzij de documentaire van hersenonderzoeker Kris De Meyer en filmmaakster Sheila Marshall, waren we er op 22 mei 2011 bij toen manifest bleek dat ze zich vergist hadden. Voor diegenen die de documentaire niet gezien hebben loont het de moeite om het gesprek met Kris De Meyer in het radioprogramma Interne keuken te herbeluisteren. Daarin vertelt hij wat er gebeurt wanneer mensen in hun diepste overtuiging door de feiten worden tegengesproken.

Is moslimfeminisme een antwoord op cognitieve dissonantie?

Die tegenspraak leidt tot wat Leon Festinger ‘cognitieve dissonantie’ heeft genoemd, en gaat gepaard met gevoelens van emotioneel onbehagen. Dat onbehagen kan weggewerkt worden door de oorspronkelijke overtuiging te verwerpen en te erkennen dat men fout zat. Die optie is de moeilijkste. Voor velen is de emotionele en sociale kostprijs van deze optie te groot.

Minder belastend is het om de oorspronkelijke overtuiging te handhaven maar ze zo bij te stellen dat men ze kan verzoenen met de dissonante informatie. Festinger noemt dit proces cognitieve dissonantie reductie. Het spreekt voor zich dat deze reductie moeilijker is wanneer je de betreffende overtuiging van kindsbeen af ingelepeld kreeg en je ze via allerlei sociale gebruiken hebt ingeoefend en eigen gemaakt. Nog moeilijker wordt het wanneer je je sterk geëngageerd hebt om die oorspronkelijke overtuiging ook nog eens publiekelijk te verdedigen en zichtbaar uit te dragen.

Jezus leeft want hij is gestorven

Ter illustratie van dit mechanisme verwijst Etienne Vermeersch naar de zogenaamde verrijzenis van Jezus. Het geloof in Jezus als de nieuwe koning der Joden die verlossing brengt, wordt op een flagrante manier tegengesproken door zijn kruisdood. Voor de eerste volgelingen van Jezus, die sterk in hun geloof hadden geïnvesteerd en bereid waren geweest om familiale banden en materiële bezittingen op te geven, wordt die kruisdood dragelijk gemaakt door een nieuwe overtuiging op te bouwen en te bedenken dat zijn dood voor het realiseren van die verlossing noodzakelijk was. Op die manier wordt de totale ontkrachting van het oorspronkelijk geloof, het ultieme bewijs van de juistheid ervan.

Precies door zich in theologische discussies onbevoegd te verklaren en zich neutraal op te stellen door dingen te verbieden, garandeert de overheid het best het zelfbeschikkingsrecht en de godsdienstvrijheid.

Iets gelijkaardigs zien we vandaag gebeuren bij moslims die geconfronteerd worden met een seculier Westers samenlevingsmodel dat haaks, of op zijn minst op gespannen voet staat met wat het eigen geloof hen voorhoudt. Die spanning leidt zoals gezegd tot cognitieve dissonantie die als onaangenaam wordt ervaren. Een treffende illustratie van dit fenomeen vind je in het boek Is dit nu de islam? van imam Khalid Benhaddou die zich beschouwt als een kind van zowel de westerse als islamitische wereld. ‘Waarom moeten er altijd tegengestelde belangen zijn tussen die twee werelden? Dat is de vraag die mij ook letterlijk slapeloze nachten bezorgde en nog steeds bezorgt. Zelf voel ik mij betrokken bij beide werelden, waarom is dat voor anderen zo moeilijk?’

Zuiveren en verzoenen

Om die dissonantie te reduceren zijn er binnen de moslimwereld twee modellen dominant geworden. Een eerste model dat aanstuurt op zuivering en een ander dat verzoening voorstaat. Een voorbeeld van het eerste is het salafisme dat ontstaat op het eind van de negentiende eeuw en een antwoord biedt op de westerse dominantie op het gebied van techniek, politiek en wetenschap die door de koloniale overheersing pijnlijk duidelijk werd. Salafisten proberen de oorspronkelijke superioriteit van islam te hervinden door terug te keren naar de ‘zuivere islam’ van de eerste volgelingen van de profeet Mohammed.

Een andere strategie om de cognitieve dissonantie te reduceren bestaat erin door het Westen met de islam te verzoenen en elke tegenspraak te minimaliseren. Een bijzonder voorbeeld daarvan is het zogenaamd moslimfeminisme dat een strijd voor de gelijkwaardigheid van de vrouw koppelt aan het dragen van een islamitische hoofddoek die voor velen nochtans geldt als een symbool van onderdrukking.

Middenvinger

Hoe nobel de betrachting van deze moslimfeministen ook is, hun strijd blijft problematisch omdat de aannames op basis waarvan ze die voeren, wankel zijn. In haar recente opiniestuk minimaliseert Jamila Hadri de verschillen tussen ‘het westen’ en ‘de islam’ door te wijzen op gemeenschappelijke zwaktes en de verschillen te ontmaskeren als een constructie. Met betrekking tot de hoofddoek is er volgens haar geen verschil tussen een liberale rechtstaat en een islamitische theocratie. Beide getuigen ze in hun hoofddoekbeleid van paternalisme die de onafhankelijkheid van de vrouw om zelf te bepalen wat ze draagt, miskent. Dat is volgens mij een weinig geloofwaardige karikatuur.

In tegenstelling tot wat Hadri schrijft eist de liberale rechtstaat van moslima’s niet dat ze hun hoofddoek afwerpen. In de privésfeer en de publieke sfeer waar mensen elkaar als vrije en gelijke burgers kunnen ontmoeten, is er plaats voor een inclusief beleid. Op de straten en de pleinen die we met elkaar delen mogen vrijzinnige moslima’s hun hoogst persoonlijke interpretatie van de hoofddoek naar hartelust botvieren en meer traditionele interpretaties naar het leven staan. Net als Hadri vind ook ik die pluraliteit aan opvattingen een meerwaarde en erken dat zij een potentieel in zich draagt die de zaken ten goede kunnen keren.

Maar die inclusieve houding ontkracht niet de legitimiteit om in andere maatschappelijke sferen zoals die van de overheid en het plichtonderwijs dat plaats heeft op de officiële school, een exclusief beleid te voeren en een verbod op het dragen van levensbeschouwelijke tekens te handhaven. Het is paradoxaal en daarom door sommigen moeilijk te vatten maar precies door zich in theologische discussies onbevoegd te verklaren en zich neutraal op te stellen door dingen te verbieden garandeert de overheid het best het zelfbeschikkingsrecht en de godsdienstvrijheid.

Het moslimfeminisme laat vooral zien hoe moeilijk het is voor mensen die geconfronteerd worden met cognitieve dissonantie om de oorspronkelijke godsdienstige aanname op te geven.

De hoofddoek wordt niet verboden omdat de fundamentalistische versie een slechte invloed heeft. Net zo min moet de feministische versie toegelaten worden omdat die een goede invloed zou hebben. De hoofddoek wordt verboden omdat hij, slecht of goed, een invloed kan hebben en de vrijheid van de burger kan schaden.

Jamila Hadri overschat de macht van individuele mensen om zelfstandig betekenis te geven aan symbolen wanneer ze schrijft dat het tenslotte mensen zijn ‘die in al hun diversiteit en heterogeniteit betekenis geven aan symbolen’. Precies het omgekeerde is natuurlijk waar. Het is immers net omdat symbolen als het ware structureel ontsnappen aan de menselijke mogelijkheid om er eigengereid betekenis aan te verlenen dat ze communicatief functioneel zijn. Iedereen weet bijvoorbeeld dat je bij het liften je duim moet opsteken om aan te geven dat je wil meerijden. Je zou, geheel in lijn met de overtuiging van Jamila Hadri, daarvoor natuurlijk ook je middenvinger kunnen opsteken maar de kans dat je dan wordt meegenomen lijkt me niet zo groot.

Zo is het ook moeilijk om te begrijpen hoe uitgerekend het dragen van een hoofdoek moet worden begrepen als een overtuigend middel om tegen het islamitische geloof en de islamitische traditie te strijden. De hoofddoek als symbolisch wapen in de strijd tegen ‘misogynie en vrouwonderdrukkende praktijken binnen de eigen gemeenschap’ is dan ook niet bepaald geloofwaardig.

Deze vaststelling verraadt, in tegenstelling tot wat Hadri schrijft, niet ‘een selectieve voorkeur voor een wit ‘westers’ feminisme’. Het moslimfeminisme laat vooral zien hoe moeilijk het is voor mensen die geconfronteerd worden met cognitieve dissonantie om de oorspronkelijke godsdienstige aanname op te geven. Vooral binnen de islam met haar uitgesproken orthodoxie, die geloofsafval straft met de dood, en haar veeleisende orthopraxie, die vijf keer bidden per dag en het naleven van kledij- en spijsvoorschriften voorschrijft, is dit bijzonder problematisch. Het moslimfeminisme bevestigt dan ook, zoals Hadri overigens zelf schrijft, veeleer ‘een moslimidentiteit’ dan dat ze die kritisch in vraag stelt.