“Op de rem staan en naar adem happen”

Interview met Karl Vannieuwkerke

Artikel verschenen in deMens.nu Magazine jg8 nr1

In het diepst van zijn gedachten is Karl Vannieuwkerke een man die de wereld kan veranderen. Tegelijkertijd is hij een topvoetballer, eentje van het type Vincent Kompany. In werkelijkheid is hij een succesvolle sportjournalist en probeert hij de ideale papa voor Jef en Marte te zijn. Hij doet z’n best om iets te betekenen voor de mensen om zich heen. En hij zoekt aarzelend z’n weg in zijn kersverse rol als co-ouder.

Nele Deblauwe

Op de boot waar hij sinds kort woont, vindt Karl Vannieuwkerke rust. Wanneer een vis een sprongetje in het ijle maakt en razendsnel terug in het water plonst, licht zijn gezicht op: “Heb je dat gehoord? Schoon, hè?” We ontmoeten een man die van diep en ver komt en boven alles leerde te genieten van kleine dingen.

Vrijheid als hoogste goed

Wanneer je je naam op Google intikt, dan vind je vooral persoonlijke zaken over jou. Hoe ga je om met dat publieke bezit?

Karl Vannieuwkerke: Ik heb daar een ambivalent gevoel over. Wat ik op sociale media post, is vaak professioneel, maar af en toe ook familiegericht. Soms vraag ik me af of ik dat wel moet doen, of ik mezelf en mijn familie niet meer moet beschermen. Want uiteindelijk keert dat als een boemerang terug, zoals nu, met mijn scheiding. Voor mij is dat een persoonlijke mislukking. Dan heb ik spijt dat ik zo open ben geweest over mijn privéleven. Maar aan de andere kant, als ik geen presentator of journalist ben, dan ben ik in de eerste plaats een familieman, een gewone papa.

 

© Jeroen Vanneste

Hoe vult een gewone papa zijn ouderschap in?

Vannieuwkerke: Ik wil mijn kinderen vooral een goede basis geven. Ze mogen hun eigen fouten maken. Een perfecte opvoeding bestaat niet, maar ik doe mijn best om een betrokken papa voor hen te zijn. Ik luister naar hun noden, ik help hen met hun schoolwerk, ik knuffel hen graag en ik geef veel complimenten. Ik heb moeten leren om dat te doen en soms schrikken ze daarvan. In deze maatschappij zijn mensen het niet meer gewend om complimenten te krijgen en daarmee om te gaan. Als iets niet goed is, dan wordt dat meteen gezegd. Je krijgt met gemak negatieve feedback. Maar als je iets goed doet, dan vindt iedereen dat maar normaal.

 

Is Karl Vannieuwkerke een winnaar?

Vannieuwkerke: Toen ik zestien jaar was, voetbalde ik bij Ieper en werd ik door Cercle Brugge getest als keeper. Maar ik ben slechts 1,71 meter én een half groot. (lacht) Tegelijk werd er nog een keeper getest. De trainer zei dat ik technisch sterker was, maar ik viel te klein uit. Ik heb het toen niet gehaald, die andere wel. Hij speelde meer dan driehonderd wedstrijden in eerste klasse, ik niet. Ik weet wat ik met mijn carrière heb bereikt, maar als je nu vraagt of ik dat wil ruilen voor honderd wedstrijden in eerste klasse bij Cercle Brugge, dan denk ik dat ik ja zeg. Dat is de drive van een sportman. Veel te weinig atleten beseffen tijdens hun carrière dat ze het mooiste leven hebben door van hun passie hun beroep te kunnen maken. Er zijn topsporters die zich naar hun training moeten slepen. Ik snap dat niet! Ik heb me nooit naar een training gesleept. Nooit!

 

“Me bewust strijdvaardig opgesteld”

 

Voor een sportman is het lichaam zowel een middel als een doel. Wat gebeurt er met je als dat lichaam je in de steek laat?

© Jeroen Vanneste

Vannieuwkerke: Het was iets heel raars. In 2014 kwam ik uit een drukke sportzomer: WK voetbal, Olympische Spelen, de Tour … En ik voelde een gezwel. De huisarts stuurde me naar het ziekenhuis. Daar gingen ze een punctie doen, dat gezwel verwijderen en klaar. Maar toen kreeg ik een telefoontje dat mijn wereld op z’n kop zette. De specialist verwees me door naar Leuven. Dan weet je: ik heb kanker. Er gaat van alles door je hoofd op zo’n moment. Wat nu? Ik weet niet of ik ga blijven leven. Wat overkomt mij hier? Je kan wel zeggen dat je gaat ‘strijden’ tegen kanker, maar als je pech hebt, ga je er gewoon van dood. Zo simpel is dat. Ik heb me bewust strijdvaardig opgesteld. Ik wilde me sterk tonen om mijn gezin niet te kwetsen. Achteraf gezien is dat fout geweest, want het heeft me waarschijnlijk mijn huwelijk gekost. Ik wilde mijn ziekte alleen dragen, vooral om niemand bang te maken. Die eerste dagen na de diagnose lig je in je bed, er slaapt een kind in een kamer links van je en één rechts van je. Dan vraag je je af wat er moet gebeuren als je het niet haalt. Eerst praktisch: hoe gaan we dat hier regelen, zodat iedereen verder kan als ik er niet meer ben. Daarna komt het emotionele aspect. Dat zijn zaken waar je uren en dagen van wakker ligt.

 

Ben je bang geweest voor de dood?

Vannieuwkerke: Ik ben nog altijd bang. Volgende week moet ik op controle, dus lig ik ’s nachts opnieuw wakker. Niet meer zo vaak als in het begin, maar toch. Het blijft iets in je leven, hè? Mijn grootste schrik is dat ik mijn kinderen niet zal kunnen loslaten wanneer ik dat wil, dat ik ze niet zal zien opgroeien. Ik wil zeker zijn dat ze het goed doen in het leven, dat ze gesetteld raken. Dan pas zal ik gerust afscheid kunnen nemen.

 

Eén voor allen, allen voor één

Waar ligt de lat bij jou?

Vannieuwkerke: Ik heb die altijd veel te hoog gelegd. Voor mezelf, voor mijn kinderen. Voor sommige zaken, de dingen waar je écht voor gaat, moet je de lat ook hoog leggen, maar niet voor elk facet van het leven. Ik heb er bijvoorbeeld meer dan tien jaar over gedaan om met mijn fiets aan een normaal tempo te leren rijden. Als de kilometerteller niet boven de dertig kilometer per uur ging, dan telde het niet. Uiteindelijk ben ik daarop afgeknapt. In 2003 hing ik mijn fiets aan de haak en pas dit voorjaar ben ik er opnieuw mee begonnen. Het kostte me jaren om te leren genieten van fietsen, dat is enorm energievretend. Het is erg dat je zevenenveertig jaar moet worden om dat te beseffen.

 

“Leren genieten van kleine dingen”

 

Op Instagram gebruik je heel vaak de hashtag #genietenvankleinedingen. Het is haast een mantra. Ben je bang om de kleine dingen te missen?

Vannieuwkerke: Eigenlijk wel. Dat besef viel samen met mijn ziekte. Toen is die hashtag er voor het eerst gekomen. Ik vind het jammer dat ik zo’n zware ziekte nodig had om te leren genieten van kleine dingen. Ik schaam me niet meer om thuis te komen, een plaid op het dek te leggen en daar een uurtje buiten te liggen. Vroeger genoot ik daar niet van, dan voelde ik me schuldig omdat ik niets had gedaan. Ik schoot soms echt alle kanten op: ik moet nog dit, ik moet nog dat. Ik draaide overuren in de ratrace van het leven. Nu kan ik mijn huis buitenkomen, over het gras wandelen en genieten van een mistbank die voorbijkomt. Het klinkt zo wreed, maar ik ben dankbaar dat ik kanker heb gehad. Ik denk, ook al leef ik misschien maar vijfentwintig jaar meer, dat de jaren die komen kwalitatiever zullen zijn door mijn ziekteproces. Zot, hè? Mijn leven zou er totaal anders uitzien als ik niet ziek was geworden.

 

© Jeroen Vanneste

Je beleeft je dagen anders dan vroeger?

Vannieuwkerke: Mijn dagen zijn te kort, ja. Ik heb altijd het gevoel dat ik iets ga missen, echt honderd procent FOMO (Fear of Missing Out, red.). Het leven moet vooruitgaan! Op school was ik al het haantje-de-voorste. Dat zit in mij, en dat is voor een stuk genetisch bepaald. Mijn dochter heeft dat ook, mijn zoon dan weer niet. Als wij Monopoly spelen en Marte verliest, dan gaat het spel de lucht in. Het is ingebakken: als wij niet winnen, dan zijn we boos. Tegelijk heeft kanker mij ook rustiger gemaakt. Ik erger me minder vaak, terwijl ik me vroeger soms behoorlijk druk kon maken. Nu zoek ik actief rust op, zoals hier op mijn boot of op mijn fiets. Dat heb ik ook nodig. Soms moet je eens durven stilstaan en kijken wat er om je heen gebeurt. Gewoon op de rem gaan staan en naar adem happen.

 

Durven denken

Ben je ijdel?

Vannieuwkerke: Iedereen is ijdel. En als je op tv komt, dan wordt dat nog extra gevoed. Mensen die zeggen dat ze niet ijdel zijn, die liegen. Mijn ijdelheid uit zich niet door urenlang voor de spiegel te staan, maar ik krijg wel graag waardering en applaus. Voor een stuk vind ik het jammer om aan dat gevoel verslaafd te zijn. Waarom posten we iets op sociale media? Om likes te krijgen, toch? Je begrijpt wat die like-cultuur inhoudt en toch ga je daarin mee. Als presentator ben ik een merk en dat wil ik in de markt houden. Maar ik geef toe dat ik geniet van de complimenten en dat kritiek me best nog kan raken. Maar minder dan vroeger; je krijgt een olifantenhuid. Dat is niet zo plezant om vast te stellen.

 

Heb je die complimenten nog nodig? Je bent toch een gevestigde waarde in je vak?

Vannieuwkerke: Als ik nu de hele zomer op tv zou komen en werkelijk niemand geeft mij een compliment, dan zou ik wellicht aan mezelf twijfelen: oei, ’t was misschien toch niet zo goed. Maar eigenlijk zou ik die likes en die complimenten niet meer nodig mogen hebben. Ik zou daarmee klaar willen zijn op het moment dat ik met mijn job stop, wanneer ik niet meer op het scherm kom. Dan wil ik het applaus niet meer nodig hebben om mij goed te voelen.

 

“Met engagement en betrokkenheid
kan je zoveel creëren”

 

Gebruik je die BV-status soms?

Vannieuwkerke: Zeker, voor het goede doel. Ik heb een mooi voorbeeld. Zo wordt altijd gezegd dat de jeugd alleen nog maar bezig is met zichzelf en met zijn smartphone, maar dat vind ik niet terecht. In de voetbalclub van mijn kinderen speelde een van de jeugdploegen ooit een achtste finale van de Beker van België. De wedstrijd zou op een woensdagavond in februari plaatsvinden; er zou allicht niemand komen kijken. Het bestuur van de club, onder wie ikzelf, daagde de ploeg uit om voor extra publiek te zorgen. Die jongens dachten daar een week over na en kaatsten de bal terug: “Karl, jij hebt toch veel contacten? Als jij erin slaagt om tweehonderdvijftig mensen in het stadion te krijgen, dan gaan wij een hele dag helpen bij De Vleugels, een zorgcentrum voor mensen met een beperking.” Die uitdaging nam ik graag aan. Ik sprak enkele bekende vrienden aan en schakelde Facebook en Instagram in. De avond waarop ze moesten spelen, dreigde de scheidsrechter ermee om de wedstrijd te annuleren. Het regende al de hele week en het veld stond onder water. Ik zei: “Vint toch, ge meugt dat echt nie doen!” Uiteindelijk kwamen meer dan vijfhonderd mensen naar de modderpartij kijken. En de spelers hielden zich aan hun belofte. Ze organiseerden een sportdag en een barbecue voor de bewoners van het zorgcentrum. Ik ben daar naartoe geweest en zag er jongens van zestien dansen met bewoonsters die veertig jaar ouder waren. Dat gaf me zo’n warm gevoel. Ik ben naar huis gereden en heb gehuild in mijn auto. Met engagement en betrokkenheid kan je zoveel creëren!

 

Atheïst tot in de kist

Geloof je in iets?

Vannieuwkerke: Ik vind dat heel dubbel. Soms denk ik: dat kan hier toch niet allemaal uit het niets gekomen zijn. Aan de andere kant: als er ‘iets’ is, dan hebben ze het toch wel heel verkeerd aangepakt. Er loopt zoveel fout in de wereld. Dus eigenlijk, neen, ik geloof niet. Maar je stelt je er wel vragen bij, natuurlijk.

 

Hoe dan?

Vannieuwkerke: Ik kom uit een christelijk gezin. Ik ben gedoopt en wij gingen naar de mis. Maar mijn kinderen heb ik bewust niet gedoopt. Als ze dat willen, kunnen ze daar later zelf over beslissen. Geloof is een stuk indoctrinatie, hè? Welk geloof het ook is, het wordt er van jongs af aan snel ingeramd, in een fase van het leven waarin je nog alles gelooft wat je wordt verteld. Als zesjarige kan je ergens iets opvangen en dat voor de rest van je leven meedragen. Daar zitten zoveel waarheden in, maar evenveel onwaarheden. Je zit daar met dat geloof, dat wordt je ingeprent als je nog een kleuter bent, en natuurlijk pikken veel kinderen daar iets van op. Maar wil dat zeggen dat ze later diepgelovige mensen worden?

 

“Geloof is een stuk indoctrinatie”

 

Niet per se. Maar je draagt die geschiedenis mee, toch?

Vannieuwkerke: Tuurlijk. Mijn grootvader had een hele grote mond en hij verzon de wildste verhalen. Zo nam hij ons overal mee naartoe en maakte ons met zijn verzinsels bang voor alles. In Koekelare heb je een park, De Mote, waar midden in een plas water een eilandje ligt. Wanneer we daar gingen wandelen, zei mijn grootvader op dreigende toon: “Je zit doa wi! De Borias! De Borias zit doa!” Dat is zo’n verhaal dat me altijd is bijgebleven, want als kind was ik verschrikt door het beeld van de Borias dat mijn grootvader creëerde. In mijn fantasie ontstond een wreedaardig monster dat in een park in Koekelare leefde. Ik herinner me dat ik er bang voor was, terwijl het niet eens bestond! Toen ik er met mijn kinderen ging wandelen, vroeg ik me af of ik het verhaal van de Borias zou vertellen. Ik heb het hen verteld, en er meteen bij gezegd dat de Borias niet bestaat. Het leven is zo al eng genoeg, ze moeten niet bang zijn voor wat er niet is.

Foto bovenaan © Jeroen Vanneste

 

© Jeroen Vanneste