Het verschil maken

Ondersteuning van nieuwkomers

Welke initiatieven neemt een welstellend land als België om de naar hier geëmigreerde of gevluchte mensen bereidwillig te ontvangen? We gaan hiervoor een kijkje nemen in Tienen, meer bepaald bij het buddyproject en het OKAN-project, twee praktijkvoorbeelden waar geëngageerde krachten anderstalige nieuwkomers ondersteunen bij hun integratie.

Lees het ook in het deMens.nu Magazine

Foto: Het goedlachse OKAN-team © Edwin Stiers

Buddy

Op gemeentelijk niveau kunnen anderstalige nieuwkomers in Tienen sinds kort rekenen op een buddy die hen praktisch wegwijs maakt in onze samenleving. Ann Cornelis, beleidsmedewerker integratie, en Mia Dickmans, bestuurslid van de Gemeentelijke Raad voor Ontwikkelingssamenwerking (GROS) en co-coördinator van het project, lichten de buddywerking toe.

Wie komt er in aanmerking voor een buddy?

Ann: De focus ligt op anderstalige nieuwkomers in Tienen die extra nood aan ondersteuning hebben om hun weg te vinden. De doelgroep zijn nieuwkomers, onder wie vluchtelingen die legaal in België verblijven. Ook mensen die reeds langer in Tienen wonen, maar heel geïsoleerd leven, komen in aanmerking. Buddy’s vormen een aanvulling op de professionele dienstverlening en ondersteunen nieuwkomers met het oog op participatie aan alle maatschappelijke domeinen. De toeleiding voor een buddy gebeurt door die diensten. Zij kunnen het best inschatten wie nood heeft aan extra ondersteuning door een buddy.

Moet ook de buddy een zekere screening ondergaan?

Mia: We hebben eerst een individueel gesprek met de kandidaat-buddy’s, om kennis te maken en naar hun verwachtingen te polsen. Wanneer we naar de motivatie peilen, dan luidt het antwoord dikwijls dat ze “een betekenisvolle bijdrage willen leveren en nieuwkomers willen helpen”. Sommige buddy’s zijn ervaringsdeskundigen: ze zijn zelf ooit als nieuwkomer in België aanbeland en hebben ondervonden hoe moeilijk het is om aanvaard te worden. Verschillende buddy’s zijn als koppel en als gezin in het project gestapt. Ze willen het bewustzijn van hun kinderen verruimen, door hen te laten ervaren dat andere kinderen het niet altijd zo goed hebben. Tijdens het gesprek polsen we ook naar de openheid voor andere culturen, waarden en normen, wat een belangrijke rol speelt om een relatie te kunnen opbouwen. We bekijken ook samen wat de buddy kan aanbieden. Dat kan heel uiteenlopend zijn: helpen met huiswerk en administratie, meegaan naar het oudercontact, Nederlands oefenen … of iets leuks doen, zoals met de kinderen naar de speeltuin gaan.

Ann: De concrete invulling van de ondersteuning door een buddy is maatwerk, afhankelijk van de noden en vragen van de nieuwkomer. Zo is het ook belangrijk dat je als buddy flexibel kan inspelen op evoluerende noden. Je eigen grenzen bewaken is hierbij belangrijk.

Mia: Eigenlijk zijn al die gesprekken heel mooi en positief verlopen. Je krijgt het er soms warm van vanbinnen. Hoe schoon is het dat mensen andere mensen echt willen helpen? We hebben zoveel mooie mensen ontmoet …

© Edwin Stiers

Mia Dickmans en Ann Cornelis, bezielers van het buddyproject in Tienen. “Je krijgt het er soms warm van vanbinnen. We hebben zoveel mooie mensen ontmoet”, aldus Mia.

En vervolgens is er een match …?

Mia: Dat gebeurt in twee fasen. Eerst trachten wij tot een theoretische match te komen samen met de kerngroep die het buddyproject praktisch opvolgt. Dat is geen makkelijke opdracht, want je moet met veel rekening houden: de taal, kinderen van dezelfde leeftijd, gelijkaardige interesses en scholingsniveau, de hulpvraag van de nieuwkomers en het aanbod van de buddy’s …

Ann: Vervolgens is er het matchgesprek op een neutrale locatie, in de bibliotheek. Mia of ik zijn daarbij, maar wij houden ons wat op de vlakte. We zorgen voor het goede verloop van het gesprek. Bedoeling is dat de buddy en de nieuwkomer met elkaar kennismaken. Indien het klikt tussen hen, wordt er op het einde van het gesprek een datum voor een volgende afspraak geprikt. Vanaf dan laten we los. Dat neemt niet weg dat de buddy’s altijd bij ons terechtkunnen met vragen en bezorgdheden.

Mia: De relatie tussen een buddy en zijn buddymaatje is niet altijd evident. Het omgaan met andere culturen en gewoontes kan soms confronterend zijn. De verhouding tussen man en vrouw, het verschil in omgang met jongens en meisjes … dat zijn niet altijd makkelijke issues om te hanteren. Een soms moeizaam, maar niettemin leerzaam en verrijkend proces.

Hoe zien jullie de buddywerking evolueren? Is het een veelbelovend project?

Ann: Dit project is opgestart met Vlaamse middelen in het kader van de vluchtelingenstroom. De subsidies dienen voor de ondersteuning van de Vlaamse gemeenten voor de integratie van vluchtelingen en lopen tot eind 2018. Vanaf 2019 is het aan de nieuwe bestuursploeg in Tienen om te beslissen hoeveel personeel en middelen er ingezet worden voor integratie en voor de continuering van het buddyproject. Een structurele inbedding zou een belangrijke stap zijn. Het buddyproject beantwoordt alleszins aan een effectieve nood, zowel bij de nieuwkomers als bij de diensten. Voor de toeleidende diensten zijn de buddy’s partners die dat extraatje bieden waar hulpverleners dikwijls geen tijd voor hebben. Essentieel is ook dat we voldoende vrijwilligers bereid blijven vinden om aan de toenemende vraag te voldoen …

Mia: Dit buddyproject is absoluut veelbelovend. Door je als vrijwilliger in te zetten voor andere mensen, verruim je je leefwereld en voel je je nuttig. Heb jij al een vrijwilliger horen klagen? Die mensen zijn gelukkig! Voor mij is dit de nieuwe zingeving.

OKAN

Een aantal scholen in Vlaanderen organiseert onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers, kortweg OKAN. Zo ook het PISO, het Provinciaal Instituut voor Secundair Onderwijs, te Tienen. Teresa Kinnaer zit midden in het hele gebeuren. Als vervolgschoolcoach begeleidt zij anderstalige nieuwkomers bij hun overgang van de onthaalklas naar het secundair onderwijs. Een gesprek met een gedreven leerkracht.

Wat houdt het OKAN-project eigenlijk in? En wat is de rol van de vervolgschoolcoach?

Teresa: De scholen krijgen heel wat speelruimte om OKAN te organiseren. Het enige wat we moeten doen, is een individueel traject uitwerken, de leerlingen voorbereiden op de secundaire school en werken aan de ontwikkelingsdoelen, in het bijzonder aan taal. Bij ons doorlopen de leerlingen een aantal fasen. Eerst heb je de stille fase, waarin de aanpassing en het observerend leren vooropstaan. Daarna komt de snuffelfase of het gestaag aanknopen bij het gewone lesgebeuren. En in een laatste fase worden de jongeren intensief voorbereid op de reguliere klas. Als vervolgschoolcoach bekijk ik mee naar welke richting ze het best doorstromen. Ook daarna volg ik ze nog een tijdje, om hier en daar bij te passen of eventueel te heroriënteren. Een meerderheid komt weliswaar in het technisch en beroepssecundair onderwijs terecht, hetgeen in feite niet logisch is … Het kan immers niet dat leerlingen van elders minder slim zouden zijn. De taal is het grote euvel, hoor je dan, terwijl dat toch een voorbijgaande ‘stoornis’ is. Maar dat moet je kunnen en willen zien.

Het meest problematisch zijn de leerlingen die nog nooit naar school zijn geweest. Vaak zijn ze analfabeet en algemeen wordt aangenomen dat zij gemiddeld vier jaar nodig hebben om het abc van een taal te vatten. En dat terwijl we in principe een jaar krijgen om ze klaar te stomen … Ook de schoolse mentaliteit, het vanzelfsprekende op tijd komen, huiswerk maken, papieren in een map ordenen … dat is hen allemaal vreemd. Zulke aanpassingen vragen tijd, soms veel tijd.

Vaak hebben kinderen al een hoop ellende gezien of meegemaakt en slepen ze heel wat met zich mee wanneer ze hier toekomen. Sijpelt dat door tot in de klas?

Teresa: Wij hebben leerlingen die verward zijn of bizar gedrag vertonen, of plots met hun ogen draaien en niet meer ‘aanwezig’ zijn. Vaak gaat het dan over niet-verwerkte trauma’s en komen zij niet tot leren. Wij willen dan ook dat zo’n kind zich allereerst wat beter voelt. We schuiven het OKAN-parcours voorlopig terzijde en kijken in welke klas het kind het best zou passen. Evident is de aanpak alleszins niet. Traumabegeleiders van het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg raden ons aan om niet te veel zelf te gaan zoeken, omdat het compleet fout kan lopen. Een relaxatieoefening bijvoorbeeld waarbij je de ogen moet sluiten, is uit den boze … Ze verliezen hun zicht op de realiteit en voor het geestesoog kan zich opnieuw heel wat narigheid afspelen. We moeten steeds alert blijven.

OKAN-leerlingen hebben doorgaans een verschillende culturele en/of religieuze achtergrond. Hoe ga je daarmee om?

Teresa: Grosso modo kan je stellen dat ze dezelfde waarden hebben, maar de rangschikking is anders. Wat opvalt, is het grenzeloze respect voor hun ouders. Dat gaat soms ten koste van de eerlijkheid. Wanneer iemand op de speelplaats iets mispeutert en wij dat met eigen ogen hebben gezien, dan zullen zij dat toch blijven ontkennen. De eer van de ouders staat immers mee op het spel. In de klas zijn ze dan weer heel beleefd en dankbaar, en hebben ze het vaak moeilijk met de gangbare drukte.

Wat betekent het voor jezelf als leerkracht om met OKAN-leerlingen te werken?

© Edwin Stiers

Teresa: In de gewone klassen heerst vaak grote onverschilligheid, terwijl je in OKAN het gevoel hebt dat je echt iets betekent. Als je sommige leerlingen, na weken van stilzwijgen, hier langzaam ziet openbloeien, dat is zo mooi! Ik denk dat er in OKAN geen tussenweg is: ofwel doe je het niet graag, ofwel verlies je je hart eraan. Misschien dat ik ooit nog iets anders ga doen, maar op dit ogenblik zou ik het niet willen missen.

Getuigenis

De 17-jarige Joubran is een OKAN-leerling. Hij vluchtte in 2014 uit Syrië en kwam na een passage in Turkije in ons land terecht. Hij getuigt: “Vergeleken met een klas in Syrië zijn de leerlingen hier stouter. Ze gaan vaker in discussie en blijven dan een hele les koppig. Zelf houd ik het rustig. Ik heb in Turkije een tijdje bandwerk in een textielfabriek verricht en van het belang van studeren hoeft niemand mij nog te overtuigen.”

Joubran wil later graag piloot worden. Wiskunde is zijn beste vak en volgend schooljaar zal hij in het vierde jaar van het algemeen secundair onderwijs kunnen aansluiten. Het studeren gaat hem dan ook aardig af. “Aan het vertalen zit ik nog het langst. Eerst vertaal ik naar het Arabisch en dan pas kan het studeren beginnen. Ook Google Translate laat me al eens in de steek.” Maar dat kan zijn dankbaarheid en optimisme niet drukken. Hij voelt zich in ons land meer dan welkom. “Ik ben heel tevreden. Jullie doen heel veel voor ons en jullie zijn echt heel vriendelijk en respectvol. Ik vind dat super. Heel hard bedankt.”

Edwin Stiers

De 17-jarige Joubran uit Syrië: “Van het belang van studeren hoeft niemand mij nog te overtuigen.”