fbpx

Naar een zorgzame samenleving

Over intergenerationeel burgerschap

Artikel verschenen in deMens.nu Magazine jg8 nr2

Burgerschap is je engageren voor een warme en zorgzame samenleving waarin iedereen meetelt. Maar hoe betrek je daarbij zowel jong als oud? Kortom, hoe komen we tot intergenerationeel burgerschap? Zorg dragen voor elkaar, een dialoog op gang brengen, begrip tonen voor anderen … het zijn kleine, maar niettemin essentiële aspecten om tot een zorgzame samenleving voor iedereen te komen.

Liza Janssens

De samenleving is zeer divers, waardoor sociale participatie en inclusie niet altijd evident zijn. We vertrouwen erop dat de overheid kansen creëert opdat iedereen kan deelnemen, maar de gemeenschap kan zelf ook initiatieven nemen. Sociale componenten zoals burgerschap en intergenerationele solidariteit zijn daarbij van groot belang. Sarah Dury, doctor in de pedagogische wetenschappen en werkzaam aan de faculteit Psychologie en Educatiewetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel, geeft hier graag een woordje uitleg bij.

Hoe ziet een zorgzame samenleving eruit?

Sarah Dury: “Een zorgzame samenleving creëer je voor en met alle generaties.”

Sarah Dury: Heel divers eigenlijk. Die zorgzame component wordt vaak vernauwd tot zorg, maar het medische aspect is hier niet belangrijk, wel het zorg dragen voor elkaar. Dat doe je door open te staan voor anderen en oog te hebben voor elkaars noden. Het begint bij kleine dingen zoals dag zeggen, helpen met de boodschappen, aanbellen om te vragen of alles in orde is als je bijvoorbeeld vaststelt dat je buur, die elke ochtend om negen uur de rolluiken ophaalt, dat een keer niet heeft gedaan …

 

In onze individualistische maatschappij leven mensen vaak naast elkaar. Hoe bouw je dan aan zo’n zorgzame samenleving?

Dury: Door de buurtbewoners te bevragen en te werken rond eenzaamheidsgevoelens en sociale isolatie. Je brengt zoveel mogelijk en zo divers mogelijke mensen – ook de kwetsbaren – rond de tafel en je vraagt hen hoe zij van hun wijk een aangename, warme buurt zouden maken. Zij wonen er en kennen de spanningsvelden en de goede kanten van de buurt. Door te faciliteren en hen de tools aan te reiken, geef je hen ook eigenaarschap van het project. Door een dialoog op gang te brengen, kan je achterhalen wat ze echt willen. Mensen vragen niet om een lokale markt omdat er niet genoeg winkels in de buurt zijn, maar eerder wegens de sociale component ervan.

Daarnaast is het vaak de apotheker, de lokale kruidenier of de bakker die kleine dingen opmerkt. Zij herkennen de kwetsbare groepen en hebben daar extra aandacht voor, door er bijvoorbeeld een praatje mee te maken. Zij weten echter vaak niet wat ze verder met die informatie kunnen doen. Stel dat ze merken dat een persoon achteruitgaat, omdat die zijn of haar geld niet meer zelf kan tellen, of een hele tijd niet meer langskomt … Kan je dat dan melden en bij wie? Daar zou men vanuit de gemeente of het OCMW kunnen op inspelen.

 

Wat is de rol van middenveldorganisaties in dat verhaal?

© iStock  Er zijn verschillende soorten van burgerparticipatie: boodschappen doen voor je buur, de kleinkinderen opvangen, het jaarlijkse buurtfeest mee helpen organiseren, naar de toneelkring of turnschool gaan, als vrijwilliger aan de slag gaan …

Dury: Zij hebben een voortrekkersrol door stapsgewijs via de buurtbewoners na te gaan wat er in een buurt nodig is om de sociale cohesie te bevorderen. Dat kunnen ze dan samen met de buurtbewoners, in cocreatie, op poten zetten. Immers, iets wat van bovenaf wordt geïntroduceerd, kan zijn doel voorbijschieten. Middenveldorganisaties kunnen een dialoog op gang brengen en de vertaalslag ervan maken naar het lokale beleid.

 

Hoe kunnen zij mensen met diverse achtergronden hiertoe engageren?

Dury: Door een vorm van communicatie tussen al die verschillende groepen op gang te brengen, zorg je ervoor dat ze openstaan en wederzijds begrip voor elkaar hebben. Dat kan gaan om kinderen, tieners, jongeren, jongvolwassenen, volwassenen, medioren en ouderen. Een aantal jaren geleden, in een achtergestelde wijk in Brugge, voelden de ouderen zich niet zo veilig. Daar was geen connectie tussen de jongeren die er graffiti spoten en de ouderen van wie de jongeren dachten dat zij voor niets openstonden. De buurtwerking heeft hen toen samen nieuwe vuilnisbakken met graffiti laten pimpen. De jongeren leerden de ouderen om graffiti te maken. Zo kwamen zij erachter dat die ouderen niet zo stug en bekrompen zijn als ze dachten. En de ouderen ervaarden dat graffiti ook een soort van kunst is en mooi kan zijn.

 

Kan je intergenerationeel burgerschap dan alleen op het niveau van de buurt tonen?

Dury: Die intergenerationele connectie realiseer je ook via andere wegen. Denk maar aan hulp bij het gebruik van computer, sociale media of smartphone, zoals een kleinkind dat oma met WhatsApp leert werken. Maar evengoed via een senior medewerker die een nieuwe collega op weg helpt, door bijvoorbeeld advies te geven over hoe met bepaalde situaties om te gaan, hoe best te communiceren, waar je met welk probleem terechtkan …

In het onderwijs zou men hiermee eveneens aan de slag kunnen gaan. Al was het maar door basiswaarden aan te leren, bijvoorbeeld je metrozitje aan een zwangere vrouw of oudere persoon afstaan. Intergenerationeel burgerschap gaat immers ook om die kleine dingen, zoals het omgaan met anderen. En dan spreken we niet alleen over die oudste generatie, maar ook over andere groepen in de samenleving die een bepaalde nood hebben. Een plek toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers komt bijvoorbeeld ook mensen met een buggy ten goede. Een zorgzame samenleving creëer je voor en met alle generaties.

 

© iStock  De zorgzame component wordt vaak vernauwd tot zorg, maar het medische aspect is hier niet belangrijk, wel het zorg dragen voor elkaar, door open te staan voor anderen en oog te hebben voor hun noden

 

Eens je met pensioen bent, stap je ten dele uit de actieve wereld. Hoe kan je gepensioneerden dan bij een zorgzame samenleving betrekken?

Dury: Uit een bevraging van jonggepensioneerden bleek dat ze vooral zelf moeten buitenkomen, om sociale contacten te leggen en een netwerk uit te bouwen. Dat is wel een uitdaging. Vaak nemen zij zich voor om vrijwilligerswerk te doen, maar twijfelen ze of ze daarvoor wel de juiste competenties hebben. Veel verenigingen zijn immers op zoek naar een soort supervrijwilliger, die ene persoon die alles kan. Die bestaat natuurlijk niet. Men zou kandidaat-vrijwilligers gewoon moeten vragen wat ze graag willen doen. Dat geeft hen de kans om eens andere taken uit te voeren dan ze professioneel gedaan hebben of doen. Iemand die jarenlang boekhouder was, wordt vaak gevraagd om penningmeester te zijn, maar misschien wil die liever activiteiten voor jongeren organiseren. Je bent trouwens nooit te oud om te leren en iets anders te proberen. Men vergeet dat wel eens. Denk maar aan het beeld van ouderenorganisaties die vooral taart- en koffienamiddagen organiseren. Hier is wel verandering merkbaar, want ze organiseren nu ook wel wat ‘hippere’ activiteiten.

Niet alle gepensioneerden zien zo’n engagement echter zitten. Ze willen liever de dingen die ze vroeger in een rush deden, nu wat kalmer aan doen. Zo zie je vaak grootvaders die hun kleinkinderen aan de schoolpoort ophalen, iets wat ze tijdens hun loopbaan voor hun eigen kinderen minder deden.

 

Vrijwilligerswerk is dus geen synoniem voor actief burgerschap?

Dury: Vrijwilligerswerk is daar maar een segment van. Er zijn verschillende soorten van burgerparticipatie: boodschappen doen voor je buur, de kleinkinderen opvangen, het jaarlijkse buurtfeest mee helpen organiseren, naar de toneelkring of turnschool gaan …

© iStock  In Brussel loopt een project, Het BuurtPensioen, dat burgerparticipatie op buurtniveau stimuleert via een tijdszorgbank, waarbij je tijd kan besteden aan of tijd kan vragen voor zorgdoeleinden

In Brussel loopt al zes jaar een project, Het BuurtPensioen, in samenwerking met onder meer het Kenniscentrum Woonzorg. Het project stimuleert burgerparticipatie op buurtniveau via een tijdszorgbank. Mensen kunnen tijd besteden aan of tijd vragen voor zorgdoeleinden. Stel dat je je been hebt gebroken en je buur na het werk een boodschap voor jou doet, dan wordt de tijd die hij of zij daaraan spendeert op een soort bankrekening geregistreerd. Aangezien tijd universeel is, verandert die waarde nooit. Als je door iemand enkele weken te helpen twintig uur opbouwt, dan kan je de dag dat jou iets overkomt die uren inruilen voor hulp. Zo is een vrijwilliger die een zoon met een mentale beperking heeft, uren aan het opbouwen voor zijn zoon voor de dag dat hijzelf wegvalt.

Op die manier geef je de sociale cohesie in een buurt een duwtje in de rug. Bovendien neem je de schroom om hulp te vragen weg, want er staat iets tegenover die hulp. De meeste taken draaien rond mobiliteit, bijvoorbeeld mensen vervoeren of boodschappen doen, en rond eenzaamheid, zoals langsgaan op de koffie om een praatje te maken. Het helpt mensen ook om zich opnieuw waardevol te voelen. Want zelfs personen die fysiek beperkt zijn, kunnen iets betekenen in zo’n systeem. Je kan sociale eenzaamheid ook bestrijden door telefonisch contact met anderen te onderhouden. En er moet natuurlijk ook iemand het geheel coördineren, de tijd registeren, een intakegesprek met een nieuwe vrijwilliger of hulpvrager voeren … Zelfs die kleine dingen of andere engagementen worden gevaloriseerd.